Paris FvdV is een weblog voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

woensdag 12 juli 2017

MUSÉE MAILLOL, ROOFKUNST IN PARIJS

Het is opvallend druk in de rue de Grenelle in het zevende arrondissement. Een lange rij mensen op de stoep maakt mij nieuwsgierig. Ter hoogte van nummer 59, vlak naast de fontein van de vier seizoenen, is het een drukte van belang. Musee Maillol staat er in grote letters op de gevel, gewijd aan de beeldhouwer Aristide Maillol (1861 - 1944). Maar van waar die drukte?

Deze tentoonstelling, een absolute 'must see' is nog te zien tot en met 23 juli 2017

Het gaat hier om de tentoonstelling '21 rue de la Boétie' die al eerder te zien was in het Luikse museum 'La Boverie'. Het vertelt het levensverhaal van Paul Rosenberg (1881 - 1959), zakenman, kunstliefhebber, vriend en agent van kunstenaars waaronder Picasso, Matisse, Braque en Léger en daarin, is een grote rol weggelegd voor de Tweede Wereldoorlog. Rosenberg was een van de grootste kunsthandelaars van de eerste helft van de vorige eeuw Het brengt ongeveer zestig meesterwerken van de moderne kunst van bovengenoemde kunstenaars onder de aandacht. Een groot aantal werken zijn nog nooit te zien geweest in Frankrijk en afkomstig uit particuliere collecties, maar ook uit de collecties van het Centre Pompidou, Musée d'Orsay, Musée Picasso of het Deutches Historisches Museum in Berlijn. Veel van deze schilderijen zijn ooit verhandeld door Paul Rosenberg vanuit zijn Parijse galerie aan de rue de la Boétie 21. Ze konden mede door de bemiddeling van ene Anne Sinclair uit de beste internationale museale collecties worden geleend.

Paul Rosenberg (1881-1959), zakenman, kunstliefhebber, vriend en agent van kunstenaars waaronder Picasso, Matisse, Braque en Léger

Anne Sinclair
"Er is niets, helemaal niets meer’, schrijft Léa Roisneau, de secretaresse van Rosenberg in 1941 aan haar joodse baas die gevlucht is naar New York. Kort daarvoor hebben de nazi’s zijn Parijse galerie geplunderd, evenals een bankkluis in Libourne en zijn buitenhuis in Floriac. Meer dan vierhonderd schilderijen verdwijnen naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, en vandaar in talloze privéverzamelingen. Het is een citaat uit het boek van Anne Sinclair over haar grootvader Paul Rosenberg, getiteld 'Rue de la Boétie 21', waarmee ze haar grootvader postuum eer betoont voor zijn moed en onverzettelijkheid, om na de Tweede Wereldoorlog de onderste steen boven te krijgen aangaande roofkunst, bedrog en opportunisme. Rosenberg bleek een witte raaf in de besmette kunsthandel, waar zelfs de gerenommeerde joodse kunsthandelaar Wildenstein onder één hoedje speelde met de nazi's.

Anne Sinclair's boek over haar grootvader Paul Rosenberg, getiteld 'Rue de la Boétie 21'

Anne Sinclair besloot de familiegeschiedenis van haar joodse grootvader Paul Rosenberg op schrift te stellen toen ze, op zoek naar oude identiteitspapieren, de archiefdozen van haar overleden moeder Micheline doorzocht. De florerende kunsthandel van haar grootvader werd met 'inboedel', archief en bibliotheek door de nazi's in beslag genomen en letterlijk geroofd.  Anne is een bekende Franse persoonlijkheid; journalist en hoofdredacteur van de Franse editie van de Huffington Post en het gezicht van het tv-programma '7 sur 7'. Zij schreef 'Rue La Boétie, 21' in een turbulente periode van haar eigen leven. Wij kennen haar als de nu voormalige vrouw van Dominique Strauss-Kahn, de toenmalige IMF topman.
Op 14 mei 2011 werd Strauss-Kahn op John F. Kennedy International Airport gearresteerd in een Air France-vliegtuig, nadat Nafissatou Diallo, een hotelmedewerkster, hem ervan had beschuldigd dat hij haar in zijn hotelkamer had aangerand en gedwongen had tot orale seks. Voor de wereldpers week Anne Sinclair niet van zijn zijde, maar ondertussen was ze met iets heel anders bezig: ze pluisde het ene document na het andere uit over de ontluisterende praktijken van de nazi’s ten aanzien van de door hen ‘entartet’ verklaarde kunst. ('Entartete Kunst' is een beruchte Duitse term die in nazi-Duitsland (1933-1945) werd gebruikt om kunst aan te duiden die niet aan de eisen van het nationaal socialistische regime voldeed).

Een groot aantal werken zijn nog nooit te zien geweest in Frankrijk en afkomstig uit particuliere collecties

De expositie
De tentoonstelling is een absolute 'must see' in dit overigens fraaie museum, maar daarover straks meer. Aan het begin van de expositie hangt een vergrootte lijntekening van Picasso waarop Paul Rosenberg in zijn galerie is afgebeeld met de eeuwige sigaret geklemd tussen zijn vingers. Bij binnenkomst, op de eerste etage van het museum, stap je als het ware regelrecht in de ambiance van de Galerie La Boétie 21. Grote foto's in sepia geven een prachtig beeld van haar toonzalen vol met kubistische schilderijen van onder andere Braque en Picasso. Op een van de foto's ontdek je zelfs aan de wand de 'Zonnebloemen' van Van Gogh. In de hal een marmeren mozaïeken vloer, een ontwerp van Georges Braque. Hij verwerkte zijn eigen stillevens met karaffen, borden, citroenen en tafellakens als motieven in het ontwerp voor de vloer. Toen de galerie van plint tot plafond was geplunderd door de nazi’s, stond het beeld van de 'Denker' van Rodin nog eenzaam in de hal, kennelijk te zwaar om op transport te gaan. Ook de vloer met de mozaïeken van Braque zat vastgeklonken.

Rosenberg had ook een bijzondere relatie met Picasso, ze waren namelijk buren in de rue de la Boétie

Het handelen in kunst lijkt in de genen van de Rosenbergs te zitten. Pauls vader Alexandre emigreerde in 1878 uit Slowakije en beproefde zijn geluk in de Parijse kunst- en antiekhandel. Zijn twee zonen, Paul en Léonce, begonnen hun carrière in de galerie van hun vader aan de Avenue de l’Opéra en namen zijn levenswerk later over. Paul Rosenberg was autodidact, zonder scholing maar met de tucht en discipline van zijn vader, bracht hij het tot volhardend kunstenaar in de hoogste kringen. Zijn broer Léonce werd de vertegenwoordiger van de kubistische schilders. Uiteindelijk opende hij een eigen galerie in rue de la Baume en werd daarmee het verzamelpunt voor avantgardistische kunstenaars van die tijd.

Georges Braque - Nu couché 1935

Paul begon in 1910 zijn galerie in rue la Boétie. Op de eerste verdieping toonde hij zijn impressionisten en andere schilders uit de 19e eeuw. De opbrengst daarvan gebruikte hij om op de benedenverdieping zijn geliefde hedendaagse schilders aan te prijzen. Voortbouwend op dit succes opende hij in 1936 een filiaal in Londen. Daardoor kon hij makkelijker in contact komen met Amerikaanse verzamelaars. Paul begreep als geen ander dat de liefde van kunstenaars voor hun handelaar langs de geldbeugel loopt. Hij was de eerste die investeerde in zogenaamde 'eerste-optie-contracten', waarbij hij in ruil voor een jaarlijks minimumbedrag, het recht kreeg om als eerste hun nieuwe werk te kopen. Mede daardoor puilde zijn voorraad eind jaren dertig uit met werken van Manet, Degas, Cézanne, Courbet, Renoir, Gaugin, Léger, Modigliani en vele anderen.

Bij binnenkomst, op de eerste etage van het museum, stap je als het ware regelrecht in de ambiance van de Galerie La Boétie 21

Rosenberg had ook een bijzondere relatie met Picasso. Ze waren namelijk buren in de rue de la Boétie. Picasso woonde op nummer 23, waar hij door het keukenraam zijn nieuwste werk toonde aan Rosenberg en zo direct commentaar kreeg van zijn buurman. Hun vriendschap verhinderde niet dat ze op het scherp van de snede onderhandelden over de prijs van de schilderijen. Tekenend is de uitspraak van Rosenberg over Picasso dat ‘ik hem in zijn ene wang zou willen bijten en hem op de andere wang zou willen kussen’.

Er valt op de expositie geen surrealistische kunst te zien, simpelweg omdat Rosenberg daar zijn neus voor ophaalde. Toen Salvador Dalí hem op een dag beleefd aansprak in een restaurant met de vraag hem te vertegenwoordigen, antwoordde Rosenberg vilein: "Meneer, mijn galerie is een ernstige zaak, die niet bedoeld is voor clowns."

Pablo Picasso: Partition bouteille de porto, guitare et cartes à jouer - 1917

Toen de signalen van een opkomende oorlog steeds sterker werden, begon Rosenberg eind jaren ’30 kunstwerken richting Londen te sturen, naar de Verenigde Staten, Australië en Zuid-Amerika, andere had hij verstopt bij vertrouwenspersonen in Frankrijk. Toch kon hij niet voorkomen dat meer dan 400 werken ten prooi vielen van de nazi's.
Veel kunstwerken die in de oorlogsjaren naar Duitsland gingen waren bestemd voor het Führermuseum, dat in Linz moest verrijzen, in de buurt van Hitlers geboorteplek. Dit museum, dat nooit verwezenlijkt werd, moest alle andere musea in de wereld in de schaduw stellen. Hitler had medewerkers die de museumverzameling verzamelden en beheerden. Hoewel Hitler zich sterk identificeerde met het museumproject waren zijn inbreng en smaak van ondergeschikt belang bij de opbouw van de verzameling.
De tweede grote nazi-verzameling was de privécollectie van veldmaarschalk Hermann Göring. In tegenstelling tot Hitler was Göring een aartsverzamelaar met een duidelijk eigen smaak. Hij zocht zelf veel van zijn collectie uit en kocht zelf werken.

Hitler en Göring bij de selectie van hun roofkunst

Na de inval van de nazi’s vluchtte Rosenberg, met behulp van visa's, verstrekt door het Portugese consulaat, (zijn Franse nationaliteit was hem ontnomen door het Vichy-regime omdat hij jood was) via talloze omwegen met zijn gezin naar Portugal, waar hij op het nippertje in 1940 wist te emigreren naar New York.. Daar bleef hij niet bij pakken neerzitten en opende in 1941 een nieuwe galerie. In vluchtoord New York, waar hij tot aan zijn dood met zijn familie zou blijven wonen, ging Rosenberg onverdroten en met veel succes verder met het promoten van moderne kunst. Na de oorlog begon een calvarietocht om alle gestolen werken op te sporen en terug te eisen, een taak waar Rosenberg zich energiek op stortte en die zijn nabestaanden tot op heden voortzetten. Waar in 1941 ‘niets, helemaal niets meer’ van over was, is vandaag een groot deel van teruggevonden. In een hommage aan Paul Rosenberg, en de kunstenaars onder zijn hoede, toont het Parijs Musée Maillol daar nog tot en met 23 juli 2017 een zestigtal werken van.

Waar in 1941 ‘niets, helemaal niets meer’ van over was, is vandaag een groot deel van teruggevonden

Na de oorlog heeft Paul Rosenberg als één van de eerste activiteiten de vloermozaïek in de hal van zijn galerie keurig laten uitsnijden en van de voorstelling van Braque vier tafels laten maken. Eén van die tafels, uit het huis van Anne Sinclair, staat nu in de laatste zaal van de expositie. Ogenschijnlijk een bijzonder, maar gewoon meubelstuk, maar wie het verhaal kent, kan er niet onberoerd langs lopen.

Bron: Anne Sinclair; Rue de la Boétie 21 Memoires. Verkrijgbaar bij uitgeverij de Bezige Bij - € 19,95

Vanaf 1895 studeerde Aristide Maillol beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle

Wat u zeker niet moet vergeten is om op de bovenliggende etages te kijken naar het werk van de Franse schilder en beeldhouwer, Aristide Maillol.
Maillol werd in 1861 geboren in Roussillon, nabij de Spaanse grens bij de Middellandse Zee. Hij kwam uit een familie van wijnboeren, vissers en smokkelaars. Zijn moedertaal was het Catalaans en hij sprak Frans met een sterk accent. In 1881 werd hij toegelaten tot de École des Beaux-Arts met het advies eerst een basisopleiding te volgen aan de École des Arts-Décoratifs waar hij in 1885 afstudeerde. De schilderijen van zijn tijdgenoten Puvis de Chavannes en Gauguin maakten diepe indruk op hem. Toen eenmaal bleek dat zijn grootste talent niet lag in de schilderkunst verwierf hij roem door zijn originele ontwerpen van wandtapijten. Vooral Gauguin, de schilder naar wie hij het meest opkeek, sprak zijn bewondering hierover uit. In 1893 startte Maillol een tapijtweverij in zijn huis in Banyuls. Hij stelde er vrouwen uit het dorp te werk, onder wie de zusters Clotilde en Angélique Narcisse. Door gebrek aan geld, maar vooral door een oogziekte die veroorzaakt was door het weefwerk, werd Maillol gedwongen de tapijtweverij op te geven. Hij ging terug naar Parijs. Clotilde Narcisse volgde hem en werd in juli 1896 zijn echtgenote. In oktober van dat jaar werd hun zoon Lucien (1896-1972) geboren, die schilder werd.

Opvallend is zijn streven naar evenwichtige beweging en een indrukwekkende rust

Vanaf 1895 studeerde hij beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle. Hij begon met terracotta beelden en vanaf 1900 werkte hij eerst in hout, later in klei en brons. Zijn eerste belangrijke beeldhouwwerk dateert van 1902. Voor dit beeld van een zittende vrouw was Clotilde het model. In zijn beginjaren poseerde zij vaak voor hem. Later had hij vele andere modellen, tot haar grote jaloezie. Toen hij zijn eigen neoclassicistische stijl gevonden had heeft hij die nauwelijks verder ontwikkeld. Veertig jaar lang bleef zijn werkwijze min of meer dezelfde. Zijn beelden van naakte vrouwen zijn steeds glad gepolijst en een toonbeeld van elegantie en zinnelijkheid. Opvallend is zijn streven naar evenwichtige beweging en een indrukwekkende rust.

Artistide Maillol met Dina Vierny, model, muze en platonische vriendin

Toen hij 73 was ontmoette Maillol een meisje uit Moldavië, de toen vijftienjarige joodse Dina Vierny. Ze werd zijn model, muze en platonische vriendin tijdens de laatste tien jaar van zijn leven. Aristide Maillol kwam in september 1944 op 82-jarige leeftijd bij een verkeersongeluk om het leven.
Na Clotildes dood in 1952 mocht Dina de erfenis delen met Lucien. Ze werd kunsthandelaar en bleef Maillols werk propageren tot haar dood. In 1966 schonk ze achttien beelden van Maillol aan de Franse staat, die permanent in de Tuilerieën werden opgesteld en ingewijd door André Malraux, toen de minister van cultuur onder president De Gaulle. Ze richtte in Parijs ook dit museum op dat zijn deuren opende in 1995. De permanente tentoonstelling bestaat uit het werk van de kunstenaar in combinatie met schilderijen van zijn vrienden, voor wie hij diepe bewondering had, onder wie Bonnard, Cézanne, Duffy, Gaugin en Matisse.

Zijn beelden van naakte vrouwen zijn steeds glad gepolijst en een toonbeeld van elegantie en zinnelijkheid

Musée Maillol, rue de Grenelle 59-61, 7e arrondissement, métro rue-du-Bac
Het museum is elke dag geopend 10:30-18:30 vrijdagavond tot 21.30 uur.

Ik adviseer u om de tickets online te bestellen. Er zit vaak slechts één caissière en u moet ook nog door een beveiligingspoortje.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen