Paris FvdV is een niet commercieel weblog speciaal voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

Privacy verklaring: Indien u weblog Paris FvdV, dat bij Google-Blogger is ondergebracht, leest en reageert op de blogs van Paris FvdV, doet u dat vrijwillig en is uw IP-adres en mailadres - indien u dat vermeld - bekend en wordt opgeslagen. Ook uw schuilnaam waaronder uw reageert wordt opgeslagen. Paris FvdV zal uw gegevens nooit aan derden doorgeven. We houden uw gegevens privé, tenzij de wet of rechtelijke macht ons dwingt uw gegevens aan hen te verstrekken. Datalekken in het systeem vallen onder de verantwoordelijkheid van Google-Blogger. Door weblog Paris FvdV te bezoeken en/of de op of via deze weblog aangeboden informatie te gebruiken, verklaart u zich akkoord met de toepasselijkheid van deze disclaimer. Google gebruikt cookies om services te leveren en verkeer te analyseren dus uw IP-adres en user-agent zijn bij Google bekend, samen met prestatie- en beveiligingsstatistieken om servicekwaliteit te garanderen, gebruiksstatistieken te genereren, misbruik te detecteren en maatregelen te treffen.

Posts tonen met het label Museum. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Museum. Alle posts tonen

vrijdag 26 juni 2026

MUSÉE NATIONAL EUGÈNE DELACROIX

 

In deze blog neem ik je mee naar place de Furstemberg, technisch gezien geen plein. De stad Parijs noemt het officieel rue de la Furstemberg. Het wordt vaak zo genoemd omdat er een kleine rotonde is aangelegd voor het verkeer en er vier bomen op staan. Ooit stond dit kleine plein bekend als de Cour des Ecuries, omdat de straat uitkeek op de stallen van een oude abdij van Saint-Germain. Vandaag de dag staat er een enkele lantaarnpaal omringd door vier paulownia's die, afhankelijk van het seizoen, een nog romantischer tintje geven aan dit charmante geheime plekje. En ik laat het aan jou over om je een voorstelling te maken van de idyllische omgeving die dit plein bij het vallen van de avond biedt. Het is dan ook geen verrassing dat enthousiaste fotografen, zoal ik, er letterlijk verliefd op worden!

 

Place de Furstemberg, technisch gezien geen plein, officieel rue de la Furstemberg


Een oase van rust in het 6e arrondissement, zeker als er muzikanten spelen


Hier bevindt zich het Musée National Eugène Delacroix, beter bekend als het Musée Delacroix, een absolute aanrader voor kunstliefhebbers! Dit museum, gelegen aan de rue de Furstemberg 6, is gewijd aan de beroemde schilder Eugène Delacroix (1798-1863). Deze culturele ruimte is meer dan alleen een museum: het was namelijk het appartement van Delacroix, waar hij de laatste jaren van zijn leven woonde, van 1857 tot zijn dood in 1863. Deze historische woning werd in 1929 gered van de sloop door de Société des Amis d'Eugène Delacroix (Vereniging van Vrienden van Eugène Delacroix ) en werd uiteindelijk in 1971 omgevormd tot een nationaal museum, na een schenking aan de Franse staat in 1954. Sinds 2004 wordt het museum beheerd door het Louvre, wat de prestige en het belang ervan binnen het Parijse culturele landschap verder heeft vergroot. 



Dit kleine museum is meer dan alleen een tentoon-stellingsruimte. Het getuigt van het leven en werk van een van de grootste schilders van Frankrijk. Het appartement dat in originele staat bewaard is gebleven, biedt een intieme blik op zijn dagelijks leven en creatieve proces. Het behoud van deze historische plek weer-spiegelt het belang van Delacroix in de geschiedenis van de Franse kunst en zijn bijdrage aan de 19e-eeuwse kunst. De transformatie van zijn (laatste) woning tot museum toont de toewijding om de nalatenschap van deze iconische kunstenaar te bewaren en te eren.

 

Eugène Delacroix ver-huisde op 28 december 1857, hij was toen 59 jaar, naar de rue de Furstemberg en verliet daarmee zijn atelier aan de rue Notre-Dame-de-Lorette, dat te ver verwijderd was van de Saint-Sulpice-kerk, waar-voor hij al in 1849 de opdracht had gekregen om een kapel te decoreren. De vermoeide kunstenaar wilde zo dicht mogelijk bij zijn werk zijn, maar hij kon de lange reis erheen niet meer maken. Hij was dan ook zeer verheugd toen hij via zijn vriend, de verfhandelaar en kunstrestaurateur Etienne Haro, een rustig en luchtig appartement vlakbij Saint-Sulpice vond. Toen Delacroix besloot zijn grote atelier in de toen modieuze wijk Nouvelle-Athènes te verlaten, koos hij voor de Rue de Furstemberg vanwege de aanwezigheid van een kleine tuin, waarvan hij exclusief kon genieten en die hij bovendien als atelier kon gebruiken. Midden in de bruisende buurt Saint-Germain-des-Prés kon hij zo werken in een oase van groen en rust. In deze tuin van circa 400 vierkante meter, die aan het zicht van de straat onttrokken is, liet de schilder zijn atelier bouwen.



 Eugène Delacroix - 'Roméo et Juliette devant le tombeau des Capulets'

Eenmaal gesetteld, uitte Delacroix zijn tevredenheid in zijn dagboek: “Mijn verblijf is ronduit charmant (...). Ik werd de volgende dag wakker en zag de zonneschijn op de huizen tegenover mijn raam. Het uitzicht op mijn kleine tuin en de vrolijke aanblik van mijn atelier geven me altijd een gevoel van plezier”.

(Dagboek, 28 december 1857)

 


Het Atelier van Delacroix  - 'Portrait d'un homme Européen en tenue orientale'(+/- 1840)


Het appartement, circa 150 vierkante meter groot, omvatte een voorkamer die toegang gaf tot de slaapkamer van Jenny Le Guillou, zijn huishoudster die in 1835 bij hem in dienst trad en de enige persoon was die aan zijn zijde woonde en hem de beslommeringen van het dagelijkese leven bespaarde. De eetkamer aan de binnenplaatszijde, de slaapkamer van Delacroix en de woonkamer aan de tuinzijde. Een kleine kamer, die uitkwam op de trap naar het atelier, deed dienst als bibliotheek. De provisiekamer en keuken, met uitzicht op de binnenplaats, waren bereikbaar via een smalle gang. De schilder had ook twee kamers voor zijn bedienden en een kelder. Deze indeling, waar nu het museum gevestigd is, is nog steeds die van het appartement.

 

 Eugène Delacroix -  'Portrait de l'artiste'


Eugène Delacroix

Hij werd geboren op 26 april 1798 in Charenton-Saint-Maurice, vlakbij Parijs. Ten tijde van zijn geboorte bekleedde zijn vader, Charles Delacroix, belangrijke functies. Eerst als minister van Buitenlandse Zaken en vervolgens als ambassadeur van de Bataafse republiek (Nederland). Daarna werd hij benoemd tot prefect van Marseille en vervolgens van Bordeaux, waar hij overleed toen de jonge Eugène slechts zes jaar oud was. Zijn moeder, Victoire Delacroix, was de dochter van een van de grootste meubelmakers van zijn tijd, Jean-François Oeben, die in dienst was van koning Lodewijk  XV . Eugène, een nakomertje, was de jongste van vier kinderen; toen hij geboren werd, waren zijn broers Charles en Henri, en zijn zus Henriette al volwassen. De kleine jongen kampte met terugkerende gezondheidsproblemen. Na de dood van zijn vader verhuisden hij en zijn moeder naar Parijs, naar de Rue de l'Université. De jonge Eugène bezocht het Lycée Impérial, nu het Lycée Louis-le-Grand. Daar sloot hij vriendschappen die hem zijn hele leven bijbleven. Hij had een leergierige aard en toonde al vroeg een voorliefde voor tekenen en lezen. De dood van zijn moeder in 1814 liet hem radeloos en eenzaam achter, ondanks de aanwezigheid van zijn oudere broer en zus, Charles en Henriette. Dankzij de steun van zijn oom, de schilder Henri-François Riesener, trad Eugène Delacroix in 1815 toe tot het atelier van de schilder Pierre-Narcisse Guérin. Destijds een van de grootste ateliers in Parijs, en dat hoog stond aangeschreven.


Delacroix op oudere leeftijd - borstbeeld in het museum


Op de Salon van 1822, op slechts vierentwintigjarige leeftijd, presenteerde Delacroix zijn eerste grote schilderij, geïnspireerd door de literaire geschiedenis: ‘Dante en Vergilius in de Hel’ (Musée du Louvre). Dit werk trok onmiddellijk de aandacht van critici. Hij werd al snel het toonbeeld van een nieuwe generatie kunstenaars, bekend als de romantici, een term ontleend aan de literatuur. Delacroix was een tijdgenoot van Victor Hugo, Alexandre Dumas, Héctor Berlioz en Alfred de Musset. Net als zij wilde hij zijn eigen weg inslaan en de artistieke expressie vernieuwen. Net als zij was hij ook een groot kenner van de kunst van de Oude Meesters. In het Louvre, dat in 1793 was geopend, ontdekte en bewonderde Delacroix de werken van Rafaël, Michelangelo, Titiaan, Rubens en Poussin.



 Eugène Delacroix - 'La Madeleine dans le désert' (1845)

De vrijheid leidt het volk

Zijn bekendste schilderij is wel ‘La Liberté guidant le peuple’. Het verbeeldt de vrijheid als Marianne, het nationale symbool van Frankrijk, die de revolutionairen aanvoert bij de Julirevolutie van 1830. Het doek heeft een afmeting van 260 bij 325 centimeter. Op 27, 28 en 29 juli 1830 kwam het Parijse volk in opstand, gekant tegen de nieuwe wetten op de persvrijheid en de hardheid van het regime. 29 juli markeerde het einde van de Bourbons op de Franse troon. Louis-Philippe, hertog van Orléans, werd vervolgens de koning van Frankrijk.


Eugène Delacroix - 'La Liberté guidant le peuple'


‘De Vrijheid leidt het volk' werd gepresenteerd op de Salon van 1831 , een meesterwerk dat klassieke allegorie en hedendaagse representatie combineert. Het werk werd aangekocht door de staat en tentoongesteld in het Musée du Luxembourg, het museum voor levende kunstenaars waar de doeken van hedendaagse kunstenaars werden getoond. Het jaar daarop maakten de massamoorden door de politie op demonstranten in de rue Transnonain in Parijs het moeilijk om het schilderij aan het publiek te tonen, het publiek van de barricades, zoals Delacroix hen noemde. Het schilderij werd teruggegeven aan de kunstenaar, die het desondanks wist te tonen tijdens zijn solotentoonstelling op de Wereldtentoonstelling van 1855. Vanaf 1874 werd ‘De Vrijheid leidt het volk’ in het Louvre tentoongesteld, samen met andere werken van Delacroix die door de staat waren verworven . Onder de Derde Republiek werd het een iconisch schilderij.


Marianne, het nationale symbool van Frankrijk

 

Een aanzienlijk deel van het werk van Eugène Delacroix was gewijd aan het ontwerpen van grootschalige decoraties voor Parijse burgerlijke en religieuze gebouwen zoals in de kerk van Saint-Paul Saint-Louis in de wijk Marais,  de Salon des Konings in het Palais Bourbon, de Kamer van Afgevaardigden, het plafond van de bibliotheek in dezelfde Kamer van Afgevaardigden, decoraties voor de bibliotheek van het Palais du Luxembourg, nu de Senaat. Begin jaren 1850 werd Delacroix geëerd met de opdracht voor de centrale decoratie van de Apollo-galerij van het Musée du Louvre, die in de 17e eeuw was ontworpen door de schilder Charles Le Brun, maar onvoltooid was gebleven. De stad Parijs gaf hem de opdracht om de decoratieve schilderijen te maken voor de Salon de la Paix in het Hôtel de Ville, die helaas in 1871 door een brand werden verwoest.


Eugène Delacroix - 'Saint-Michel terrassant le Dragon' - Église Saint-Sulpice 


Zijn werken zijn ook te vinden in de kerken van Parijs; na Saint-Paul Saint-Louis schilderde Delacroix een diep ontroerende Piëta in de kerk van Saint-Denis-du-Saint-Sacrement, aan wat nu de Rue Turenne is. In 1849 kreeg hij de opdracht om een kapel in de immense kerk van Saint-Sulpice te decoreren, de Kapel van de Heilige Engelen. Aan dit meesterwerk werkte hij tot 1861. Hij creëerde twee grote muurschilderingen tegenover elkaar, Jacob worstelt met de engel en Heliodorus wordt uit de tempel verdreven , evenals het plafond, Sint-Michiel overwint de duivel.

Eugène Delacroix overleed op 13 augustus 1863 in zijn appartement aan de rue de Furstemberg. Jenny Le Guillou was getuige van zijn laatste ademtocht in de vroege ochtenduren.


Musée Delacroix - Foto musée Delacroix

 

Musée Delacroix

Het museum bewaart schilderijen, schetsen, tekeningen, prenten, lithografieën, lithografische stenen, voorwerpen die aan Delacroix toebehoorden, zijn kleurenpaletten, evenals al zijn geschriften en enkele brieven uit zijn persoonlijke correspondentie. Want Delacroix was niet alleen schilder, maar ook een zeer getalenteerd graveur en tekenaar, en schrijver Zijn liefde voor schrijven blijkt duidelijk uit zijn persoonlijke geschriften, die buitengewoon doordacht zijn. Delacroix nam soms brieven op in zijn dagboek en herzag ze ook af en toe. Het is daarom belangrijk te begrijpen dat de kunstenaar zich ervan bewust was dat zijn geschriften na zijn dood ooit gepubliceerd zouden worden. De collectie omvat ongeveer 1200 werken, die roulerend in het museum worden tentoongesteld. Sommige werken mogen niet langer dan drie maanden aan daglicht worden blootgesteld.


Eugène Delacroix – ‘Mademoiselle Rose – ou Nu assis’ – ‘Homme Polonais nu’

 

De bibliotheek van het Delacroix Museum herbergt een omvangrijke collectie geschriften over de kunstenaar, zijn schilderijen, tekeningen, gravures en literatuur, en werpt tevens licht op zijn historische context. De collectie omvat boeken over 19e-eeuwse kunst  , talloze monografieën over schilders, van Leonardo da Vinci tot Henri Matisse, en een complete sectie gewijd aan literatuur uit Delacroix' tijd, waaronder vele werken van en over Baudelaire, George Sand en Byron. De bibliotheek telt momenteel meer dan 2200 boeken, voornamelijk in het Frans, maar ook enkele in het Engels en Duits. In 2016 onderging de bibliotheek een ingrijpende reorganisatie op basis van een thematisch classificatiesysteem, wat het zoeken vergemakkelijkt. De bibliotheek wordt momenteel gedigitaliseerd.


De bibliotheek van het Delacroix Museum herbergt een omvangrijke collectie geschriften over de kunstenaar, zijn schilderijen, tekeningen en gravures 

 

Een ander hoogtepunt van dit museum is de prachtige tuin van 400 m² die verscholen ligt achter het appartement, waar Delacroix zijn atelier liet bouwen. De tuin, die in 2012 is gerenoveerd, is opnieuw aangelegd aan de hand van herontdekte geschriften van de kunstenaar, die een grote passie had voor de natuur en weelderige bloemenpracht.



De tuin is een oase van rust


En liefde is nooit ver weg in Parijs!

 

Bronnen: Musée Delacroix, Wikipedia, eigen bezoek



dinsdag 3 maart 2026

EEN STATION VOOR DE KUNST VAN DE NEGENTIENDE EEUW

 

Herkennen jullie dat ook; moeite hebben met jezelf beperkingen op te leggen bij een bezoek aan een museum in Parijs? Het overkwam mij bij weer eens een bezoek aan het Musée d’Orsay. Het museum bezit ongeveer 150.000 werken in zijn collectie, die alle technieken omvatten. Schilderijen, beeldhouwkunst, kunstobjecten, foto’s en tekeningen van kunstenaars en architecten. Nationale openbare collecties die het resultaat zijn van een lange geschiedenis die begon in de 19e eeuw. Daarmee vormt zij de verbindende schakel tussen de collecties van het Louvre en het Centre Pompidou / Beaubourg. 16.000 m² tentoonstellingsoppervlak, verdeeld over drie lagen: Begane grond, tussenverdieping en bovenste verdieping. De centrale hal, een ontwerp van de Italiaanse architecte Gae Aulenti, is zo indrukwekkend dat ik besloot mij te beperken tot de centrale gang, het Seine terras en het Lille terras vol met beeldhouwkunst. De beeldhouwcollectie van het museum omvat meer dan 2.200 stukken, inclusief de werken die in depot zijn bij andere instellingen. De getoonde collectier is levendiger dan ooit en gaf mij de kans om de beeldhouwkunst van de tweede helft van de 19e eeuw beter te leren kennen en….te bewonderen.



Musée d'Orsay, de centrale hal, een ontwerp van de Italiaanse architecte Gae Aulenti
 

Ontstaan

Gare d’Orsay, speciaal gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1900. Toen het bijna voltooid was merkte de kunstschilder Jean-Baptiste Édouard Detaille spottend op; “zo’n grandioos spoorwegstation dat eruitziet als een Paleis voor Schone Kunsten, terwijl het Paleis voor Schone Kunsten op een station lijkt! Mijn advies aan de architect Victor Laloux is ze om te wisselen nu het nog kan”. Ruim 80 jaar later zou deze ironisch bedoelde suggestie werkelijkheid worden.

 

Transformatie

In de jaren zeventig gaf het idee om het treinstation van Orsay om te vormen tot een museum een nieuwe impuls aan de beeldhouwkunst uit de tweede helft van de 19e eeuw . Het nieuwe gebouw bood een ideale ruimte voor deze kunstvorm: het grote middenschip, verlicht door het steeds veranderende natuurlijke licht dat door het glazen gewelf naar binnen viel. Zo kon het publiek de beeldhouwkunst uit deze periode in al haar rijkdom en diversiteit herontdekken. Bij de opening in december 1986 bracht het Musée d'Orsay een collectie van ongeveer 1200 sculpturen bijeen, grotendeels afkomstig uit de voormalige collecties van het Musée du Luxembourg, het Louvre en staatsdepots.



 

Bij binnenkomst in het Musée d'Orsay valt direct de monumentale klok op. Een majestueus symbool van het industriële tijdperk dat getuigt van het architectonische genie van Victor Laloux. De architect integreerde dit functionele object op meesterlijke wijze in een opmerkelijke artistieke compositie, waarbij hij staal en glas met zeldzame elegantie combineerde. Het oorspronkelijke bouwwerk omvat drie van deze monumentale klokken: twee aan de buitengevel en één in de centrale hal. Tijdens de verbouwing tot museum in 1986 hebben de architecten deze historische objecten behouden, omdat ze de uitzonderlijke erfgoedwaarde ervan erkenden.

 


Collectie

Vervolgens de collectie sculpturen die de grote hal vullen waar vroeger treinen stonden te wachten op hun reis naar Orléans. Het daglicht stroomt door het glazen dak waardoor het Musée d'Orsay een ideale plek is om de sculpturen optimaal te bewonderen. Er zijn honderden beelden en bustes van de meest gevierde kunstenaars waaronder: Daumier, Carpeaux, Rude, Pradier, Cordier, Cavelier, Mercië, Rodin, Maillol, Bourdelle, Claudel en nog veel meer. In deze blog beperk ik mij tot enkele hoogtepunten om jullie zo een goed beeld te geven van de rijkdom van de immense collectie.

 

Jules Desbois (1851-1935)

In 1878 ontmoette Desbois Auguste Rodin op de bouwplaats van het voormalige paleis Trocadéro en ze werden vrienden. Datzelfde jaar besloot hij zijn geluk in de Verenigde Staten te beproeven, maar hij maakte daar geen fortuin en keerde drie jaar later terug naar Frankrijk. Werd assistent van Auguste Rodin om de vele opdrachten te verwerken. Naar verluidt ontdekte hij in 1887 het tachtigjarige Italiaanse model Maria Caira, die model voor hem stond voor zijn schilderij ‘la Misère’ en die later Rodin en Camille Claudel zou inspireren tot werken als ‘la belle Heaulmière’ en ‘l'Hiver et Clotho’. Hoewel hij werd beschouwd als "een van de beste beeldhouwers van zijn eeuw", raakte Desbois na zijn dood in de vergetelheid en werden zijn werken verspreid. Bovendien overschaduwde zijn samenwerking met Rodin zijn eigen werk, waardoor de geschiedenis alleen de naam van de meester herinnerde (bron Wikipedia).



Mannentorso - Jules Desbois 1934


Antoine Bourdelle (1861-1929)

Bourdelle oogst succes op de Salon van 1910 met zijn meer dan levensgrote beeld van ‘Heracles als boogschutter’. Er bestaan twee versies. Het Musée d’Orsay toont een afgietsel van de tweede versie. Hierin is de boogschutter niet als torso uitgevoerd en zijn de rotsen waar Heracles op knielt en zich tegen afzet in de sculptuur opgenomen. Bourdelle liet voor de schutter een echte sportman poseren. Brons uit 1909


Antoine Bourdelle - Boogschutter 1909

 

Aristide Maillol (1861-1944)

Geldt terecht als de belangrijkste wegbereider voor de moderne beeldhouwkunst in Frankrijk. Waar Auguste Rodin als unieke, zo niet geniale verschijning toch gebonden blijft aan de 19e eeuw, brengt Maillol de beeldhouwkunst nieuwe principes bij die stijlvormend zullen doorwerken. Vanaf 1895 studeerde hij beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle. Het werk in lood, ‘de begeerte’, maakte hij in Parijs in 1907. De strenge geometrie die Maillol opbouwt uit menselijke lichamen, ondersteunt op suggestieve wijze de inhoudelijke uitdrukkingskracht van dit werk: het gevangen zijn in het begeren, het aandringen van de man en het terugwijken van de vrouw.


Aristide Maillol - De Begeerte 1907

 

Aristide Maillol was een groot bewonderaar van de Franse kunstschilder Paul Cézanne (1839-1906). Na 1907 werkt Maillol aan ontwerpen voor een plastiek ter nagedachtenis van Paul Cézanne. Tegen 1912 krijgt hij van het ‘comité du Monument Cézanne’ uiteindelijk de opdracht voor een standbeeld dat in de geboortestad van de kunstschilder, Aix-en-Provence, opgericht gaat worden. Een rustig liggende vrouwelijke naaktfiguur met een lauwertak in de hand. De versie in het museum is uit 1925.



Aristide Maillol - 1925
 

Auguste Rodin

Rodin (1840-1917) mag zich de belangrijkste Franse beeldhouwer noemen rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. Hij geldt als de wegbereider van de moderne beeldhouwkunst. Kenmerkend voor zijn werk is de onrustige modellering van de oppervlakken, die weer zorgde voor een prachtige lichtreflectie op het brons. Rodins beeldhouwwerk verbaast door zijn sterke expressie, energie en vitaliteit. De mannen met grote gespierde blote voeten met stevige tenen en goedgespierde torso’s, terwijl zijn vrouwen vaak zachte vormen hebben. Dit is vooral goed te zien in zijn beroemde marmerwerk 'Le baiser', de kus. Van dit werk, dat geldt als een van de beroemdste en succesvolle stukken van Rodin, bestaan slechts twee kopieën, een in Kopenhagen en een in London. In het Musée d’Orsay is veel werk te zien van Rodin. Mijn aandacht ging uit naar deze bronzen buste van Victor Hugo. Gemaakt tussen 1889 en 1909 en gegoten door Alexis Rudier, een invloedrijke Parijse bronsgieter die in 1874 de Fonderie Rudier oprichtte. De gieterij stond bekend om het gieten van werken voor meesters zoals Auguste Rodin, Antoine Bourdelle, Aristide Maillol, Honoré Daumier en Henry Moore.


Auguste Rodin - Victor Hugo 1909

 

In 1880, wanneer Rodin voor het eerst een werk verkoopt aan de Franse staat krijgt hij de opdracht om een bronzen portaal te maken voor het nieuw te bouwen Musée des Arts Décoratifs. Als thema kiest hij Dantes ‘Divina Commedia’, het boek dat hem sinds zijn reis naar Italië in 1875 niet meer heeft losgelaten. Ugolin (1881-1882) is een dramatisch gipsen sculptuur van Auguste Rodin, geïnspireerd op Dante's Goddelijke Komedie. Het toont de graaf Ugolino, ingemetseld met zijn zonen in de gevangenis die hun graf zou worden, zag hen sterven en, gek van honger, knaagde hij aan hun vlees voordat hij zelf stierf. Het werk werd oorspronkelijk ontworpen voor ‘de Poort van de Hel’ en toont Rodins kenmerkende emotionele, rauwe realisme. De figuur is opgebouwd rond een centrale leegte; De gekwelde modellering, de ontwrichte lichamen van de kinderen en de misvormde ledematen benadrukken allemaal de morbide, dramatische sfeer.



Auguste Rodin - Ugolin 1902 - 1912

 

Jean-Baptiste Carpeaux (1827-1875)

Carpeaux begint aan zijn ‘Ugolin’ als hij in 1858 in Rome woont. Daar komt hij in aanraking met het werk van Michelangelo die hij zeer bewondert. Carpeaux zou drie jaar nodig hebben om het gipsmodel te voltooien. In 1882 geeft de Franse staat opdracht voor het maken van een bronzen afgietsel, dat vervolgens in de tuinen van de Tuileriën wordt opgesteld. Nu is het te vinden bij de centrale ingang van het museum.


Jean-Baptiste Carpeaux - Ugolin

 

De met Carpeaux bevriende architect Charles Garnier verwerft in 1861 de opdracht voor het nieuwe gebouw van de Parijse opera. Een jaar later kan al de eerste steen worden gelegd, maar pas in 1875 zal het gebouw officieel geopend worden. Aan de voorgevel moeten vier allegorische voorstellingen komen van de kunstvormen die de opera dienen. Carpeaux krijgt in 1865 de opdracht voor ‘De Dans’. Hij schept een reidans van zes uitgelaten dansende, naakte meisjes rond een gevleugelde genius die de tamboerijn slaat. Als in 1869 de meer dan vier meter hoge groep wordt onthuld breekt een geweldig schandaal los. Dit is toch niet passend voor een operagebouw. In 1964 werd de inmiddels sterk door luchtvervuiling aangetaste beeldengroep verwijderd en naar het Louvre overgebracht en weer later naar het  Musée d’Orsay. Op de Opéra Garnier staat een kopie.



Jean-Baptiste Carpeaux - De Dans
 

In de centrale hal staat een gipsenmodel van ‘De vier werelddelen’. Baron Haussmann, de prefect van Parijs die de stad het gezicht gaf dat we vandaag kennen, gaf Carpeaux in 1867 de opdracht een fontein te ontwerpen voor de Jardin de la Observatoire. Het was de derde grote opdracht die Carpeaux in zijn loopbaan zou verwerven. Vier vrouwenfiguren in een kring dragen een wereldbol. Carpeaux werkt eraan van 1867 tot 1870. De vier allegorieën dansen niet alleen in een kring, maar draaien ook om hun eigen as. Europa raakt nauwelijks de grond, Azië, met haar lange vlecht, is bijna van achteren te zien, Afrika is in driekwart-aanzicht afgebeeld en Amerika, met een verentooi op haar hoofd, kijkt de toeschouwer aan, maar haar lichaam is opzij gedraaid. Pas in 1874, een jaar voor Carpeaux' dood, werd de bronzen fontein op de beoogde plek geplaatst. De tentoongestelde beelden zijn in 1963 gevonden op een vuilstortplaats in Nantes. Het Musée d'Orsay kon ze verwerven in ruil voor een schilderij van Sisley voor het Musée des Beaux-Arts de Nantes.


Jean-Baptiste Carpeaux - De vier werelddelen 1867 - 1870




De fontein in de Jardin de la Observatoire

 

Jean Hugues (1849 - 1930)

Als beeldhouwer die binnen het gevestigde repertoire werkte, genoot Hugues, ervan, net als alle traditionele kunstenaars van zijn generatie, het menselijk lichaam te verkennen. ‘Oedipus in Colonus’, 1885, behoort tot dit genre, maar ook tot de grote onderwerpen uit de antieke geschiedenis. Het dient als voorwendsel voor anatomische verkenningen. Het extreme realisme van de torso mishaagde critici, die Hugues ervan beschuldigden meer waarde te hechten aan de waarheid dan aan stijl. Nadat het gipsen afgietsel op de Salon van 1882 was tentoongesteld, gaf de staat de kunstenaar de opdracht voor een marmeren versie voor nationale musea. Vanaf 1890 in het Luxemburgmuseum, verhuisde in 1931 naar het Louvre en sinds 1986 toegewezen aan het Musée d'Orsay.



 Jean Hugues - Oedipus in Colonus 1885



Details Oedipus in Colonus 



Louis-Ernest Barrias (1841-1905)

Hij werd in Parijs geboren in een kunstenaarsfamilie. Zijn vader was porseleinschilder en zijn oudere broer Félix-Joseph Barrias een bekend schilder. Louis-Ernest begon ook als schilder, maar later wijdde hij zich aan de beeldhouwkunst. In 1858 werd hij toegelaten tot de École nationale supérieure des Beaux-Arts in Parijs, waar François Jouffroy zijn leraar was . In 1865 won Barrias de Prix de Rome voor een studie aan de Franse Academie in Rome . Barrias was betrokken bij de decoratie van de Opéra de Paris en het Hôtel de la Païva aan de Champs-Élysées. Zijn werk was voornamelijk in marmer, in een romantisch-realistische stijl die beïnvloed was door Jean-Baptiste Carpeaux.



 Louis-Ernest Barrias 1889

Dit beeld werd in 1889 in opdracht gemaakt om de nieuwe Faculteit der Geneeskunde in Bordeaux te sieren. Een jonge vrouw, een allegorie van de Natuur, tilt langzaam de sluiers op die haar omhullen. Nadat hij de eerste versie in wit marmer voor de decoratie van het gebouw had voltooid, ontwierp Barrias een tweede, polychrome versie voor de grote trap van het Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs. Hiervoor gebruikte hij marmer en onyx uit steengroeven die in Algerije waren herontdekt. ​​De verschillende onderdelen, zorgvuldig gebeeldhouwd om het decoratieve potentieel van de materialen te versterken, spelen in op de nerven van de gestreepte onyx voor de sluier, het gevlekte rode marmer voor de jurk, de kostbaarheid van lapis lazuli voor de ogen en malachiet voor de scarabee, en koraal voor de mond en lippen. Het algehele effect is opvallend rijk. Het werk behoort tot een omvangrijke beweging van herontdekking van polychrome beeldhouwkunst, die werd ingeluid door archeologische vondsten en vijftig jaar eerder al werd geïllustreerd door Cordier. Gezien het succes van het werk werden er talloze edities geproduceerd. Het beeld ‘De natuur die zich openbaart’ werd aangekocht in 1899.

 

Frédéric Auguste Bartholdi (1834-1904)

Van 15 september 2026 tot en met 31 januari 2027; ter gelegenheid van de 250e verjaardag van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, die in 2026 wordt gevierd, presenteert het Musée d'Orsay een tentoonstelling en een virtual reality-ervaring gewijd aan het werk van Auguste Bartholdi, een belangrijke figuur in de 19e-eeuwse Franse beeldhouwkunst en maker van iconische werken, waaronder het Vrijheidsbeeld. Het beeld, dat oorspronkelijk bedoeld was als een geschenk van Frankrijk aan de Verenigde Staten ter herdenking van het honderdjarig bestaan ​​van de Amerikaanse onafhankelijkheid in 1876, werd uiteindelijk tien jaar later, in 1886, onthuld. In de tussentijd moesten Bartholdi en zijn aanhangers blijk geven van verbeeldingskracht, durf en doorzettingsvermogen om het destijds grootste beeld ter wereld te ontwerpen, te promoten en te bouwen (46 meter hoog, 93 meter inclusief sokkel). Bartholdi koos voor een klassiek model, geïnspireerd op het neoclassicisme. De eenvoudige, sobere vorm bevat betekenisvolle symbolen: de brandende fakkel staat voor verlichting, de tablet voor de wet en de gebroken kettingen voor slavernij. De stralende kroon is geïnspireerd op het grafmonument van paus Clemens XIII in Rome, ontworpen door Canova. Het bronzen vrijheidsbeeld in de centrale hal is aangekocht in 1900.



Frédéric Auguste Bartholdi - La liberté éclairant le monde 1886

 

Charles Cordier (1827-1905)

Cordier heeft vermoedelijk het meest omvangrijke oeuvre op het gebied van de gekleurde plastiek van de 19e eeuw op zijn naam staan. Hij gebruikte uiteenlopende materialen als kleurige marmers en onyx die hij bewerkte met sierlijke details. Daarin beperkt hij zich tot de attributen en de kledingstukken op zijn portretbustes, de vleeskleur liet hij altijd monochroom zoals te zien hier bij deze twee Soedanese negers uit 1856 (officiële benaming Soedanese neger in Algerijns kostuum). Cordier vond zijn modellen op zijn vele reizen die hem bijvoorbeeld naar Algerije en Egypte voerden.



Charles Cordier Soedanese negers in Algerijns kostuum 1856
 

Eugène Guillaume (1822 - 1905)

Richting de uitgang stuitte ik op een marmeren beeld van Eugène Guillaume wat mij sterk deed denken aan een man die een selfie maakt, maar het is de dichter Anacréon, een werk dat Eugène Guillaume maakte tijdens zijn studieverblijf in Rome, dat in 1845 eindigde. Guillaume was een Franse beeldhouwer.  Hij studeerde aan de École des Beaux-Arts, waar hij in 1841 begon en waar hij in 1845 de Prix de Rome won. Later werd hij directeur van de École des Beaux-Arts in 1864 en directeur-generaal van de Schone Kunsten van 1878 tot 1879, toen het ambt werd opgeheven.



Eugène Guillaume - de dichter Anacréon

Het beeld, gehouwen uit wit marmer, stelt de Griekse dichter voor en is slank, met zijn arm boven zijn hoofd geheven, wat de lichtheid van zijn verzen symboliseert en tegelijkertijd hoe poëzie de mens kan verheffen. Het werk werd voor het eerst tentoongesteld op de Salon van Parijs in 1854. Het Musée d'Orsay kocht het beeld eerder, namelijk in 1852. 

Zo genoeg gezien. Dit prachtige gebouw is niet alleen een museum maar ook nog steeds een station. Hoewel het hoofdgebouw in 1986 een museum werd, zijn de spoorrails niet verdwenen: ze liggen nu ondergronds en maken deel uit van de RER C. Een discreet overblijfsel uit het spoorwegverleden dat voortleeft, terwijl boven, in de majestueuze 32 meter hoge hal, de imposante klok nog steeds de tijd aangeeft, net zoals meer dan een eeuw geleden voor reizigers die naar het zuidwesten van Frankrijk vertrokken. 

De monumentale beelden van de zes continenten, evenals die van de olifant, het paard en de neushoorn, die sinds 1986 bezoekers van het Musée d'Orsay verwelkomden, werden december 2024 discreet verwijderd van de esplanade Valéry Giscard d'Estaing. Deze verwijdering is tijdelijk! Het is ter voorbereiding op renovaties die de toegankelijkheid van het museum moeten verbeteren en die in maart 2025 van start zijn gegaan. Tijdens hun afwezigheid zullen deze iconische sculpturen worden gerestaureerd.



De zes continenten
 

Het Musée d'Orsay trekt  tussen de drie en vier miljoen bezoekers per jaar. In 2024 waren dat er 3,87 miljoen en is daarom samen met het Louvre een van de drukst bezochte musea in Parijs, Het staat wereldwijd bekend om de grootste verzameling impressionistische en post-impressionistische kunst. Het wordt daarom sterk aanbevolen om tickets vooraf online te reserveren om zo wachttijden te vermijden. 

Musée d'Orsay, Esplanade Valéry Giscard d'Estaing, 7e arrondissement, metrostation soferino, lijn 12 – RER-C Station Musée d’Orsay.

Toegang online € 16 in het museum € 14 

Bronnen: Wikipedia, Musée d’Orsay, Kunst en Architectuur – Peter J. Gärtner


dinsdag 27 mei 2025

HET PARIJSE MUSEUM VAN DE MISDAAD


Een beetje verdwaasd loop ik door de rue de la Montagne Sainte-Geneviève in het vijfde arrondissement. Hier moet volgens het boek ‘Achter de Façade’*  het Politie museum gesitueerd zijn. Natuurlijk had ik het huisnummer niet genoteerd in mijn ‘Paris To-Do-Lijst’, dus ten einde raad maar even het terrein opgelopen van het politiebureau ter plaatse. Een lelijke betonnen kubus aan het begin van de straat die ik inmiddels twee keer had belopen.

*Achter de Façade, een cultuur-historische ontdekkingsreis door Parijs van Kees en Chrisje Brants.+


Alom verbazing;  in dit schuwlelijke gebouw is het 'museum van de Misdaad' gevestigd

 

“Mais c’est ici monsieur!”  Verbaasd kijk ik de agente aan die mij uiterst vriendelijk te woord staat maar ook nog even in mijn fototas wil kijken. Het politiemuseum is dus gehuisvest in een werkend commissariaat.  Je moet dus moedig langs de politieagenten lopen die buiten de wacht houden. Vervolgens de trap op naar de lobby waar je indien nodig in de rij moet staan met de lokale bevolking die daar zijn voor andere, maar meestal politie-gerelateerde zaken. Het museum bevindt zich namelijk op de derde verdieping. Dus eerst langs de ‘accueil’ en vervolgens langs de hekjes met de klok mee. Een agent begeleidt je naar de lift die alleen bediend kan worden door zijn of haar inbreng. Een klein belletje geeft aan dat je op de juiste verdieping bent gearriveerd waarna de liftdeur zich langzaam opent. Curieus, maar ik ben dan ook eindelijk in het ‘Musée de la Préfecture de Police’, ook wel bekend als het ‘Musée des Collections Historiques de la Préfecture de Police de Paris’, wat eenvoudigweg museum voor historische collecties van de Parijse politie betekent.



De politie is er voor iedereen ook voor de daklozen
 

Het museum werd oorspronkelijk opgericht in 1909 door Louis Jean-Baptiste Lépine, (tweemaal Préfet de Police bij de Parijse politieprefectuur, van 1893 tot 1897, en opnieuw van 1899 tot 1913) met de stukken die hij verzamelde voor de Wereldtentoonstelling van 1900. Om de politie dichter bij de mensen te brengen, wilde de prefect bezoekers over de hele wereld de menselijkheid van de Parijs politie laten zien, door middel van portretten en diverse erfgoedobjecten die verband hielden met het politiewerk. De officiële opening vond plaats op 20 december 1909, op de zolder van 36 quai de Orfèvres, het adres wat we zeker herkennen als het hoofdkantoor van inspecteur Jules Maigret, een fictieve commissaris van de Parijse recherche en het hoofdpersonage in 75 detectiveromans en 28 korte verhalen die de Belgische schrijver Georges Simenon tussen 1930 en 1972 heeft geschreven. In juni 1975 verhuisde het museum naar de huidige locatie in het vijfde arrondissement.



Dit museum in een wereldstad heeft een heerlijk provinciaal tintje
 

Jaren geleden begon men aan een renovatie, maar deze werd onderbroken toen het idee ontstond om het te verplaatsen naar het hoofdbureau van de Parijse politie op het Īle de la Cité, nadat de hoofdkantoren in 2018 waren verhuisd naar het nieuwe Tribunale de Justice in Batignolles in het 17e arrondissement.  2/3 Van het museum is daardoor nog steeds in de ouderwetse staat, wat ook iets heerlijks provinciaals heeft maar weer niet hoort bij een grote stad als Parijs. 

Eenmaal gearriveerd wordt je opgewacht door een medewerkster die je uitleg geeft over de te lopen route die verspreid ligt over een oppervlakte van ongeveer 520 M², links en rechts onderbroken door kamers die weer in gebruik zijn als kantoor. Zoals vaak in kleine Franse musea is niet alles voorzien van een tweetalig label, maar gelukkig wijst de vriendelijke medewerkster je op een QR-code die je kunt scannen waarin je uitleg krijgt bij diverse maar lang niet bij alle onderwerpen, in de taal van jouw herkomst. Let er wel op dat je het volume van je telefoon op laag zet.


Er is ook een schaalmodel te zien van de guillotine, plus een echt mes
 

Een reis langs vier eeuwen geschiedenis van de Parijse politie vanaf de 17e eeuw kan beginnen. Vier eeuwen bloedige misdaden, aanslagen, politieke moorden, bloedmisdrijven, gifmoorden, zwendel-praktijken of oplichterij en terroristische aanslagen. 


Het doel is om te laten zien hoe grote maatschappelijke problemen, zoals gerelateerd aan armoede, drugs, pooierschap, zware criminaliteit en de omgang met gedetineerden in openlijke hechtenis door de tijd, de Parijse politie ertoe hebben aangezet om zich aan te passen en gespecialiseerde brigades op te richten. Dit aan de hand van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Franse geschiedenis (samen-zweringen, arrestaties, enz.) hun beroemde personen en strafzaken  die de krantenkoppen hebben gehaald.  


De ruim 2.000 tentoongestelde stukken, waarvan sommige uniek zijn, roepen de gebeurtenissen op waaraan de politie deelnam. Herinneringen aan de geschiedenis van Parijs maar ook die van Frankrijk. Je maakt kennis met enkele van Frankrijks grootste criminelen die nog steeds het gesprek van de dag zijn, zoals Louis Dominique Cartouche*, Henri-Désiré Landru* of Docteur Petiot*

 

*Cartouche, de gentleman inbreker, niet zomaar een dief. Hij had een erecode. Hij vermeed zinloos geweld en behandelde zijn slachtoffers met een zeker respect. Deze aanpak leverde hem een ​​zekere bewondering op bij het volk, vooral onder de minder bevoorrechte klassen, die hem zagen als een wreker tegen de onderdrukking door de elite.

Cartouches einde was net zo dramatisch als zijn leven. Nadat hij was gearresteerd, volgde er een sensationeel proces. Hij weigerde zijn kameraden te verraden en bleef stil. Daarmee werd zijn imago als tragische held versterkt. Hij werd in 1721 geëxecuteerd. Zijn dood was een ingrijpende gebeurtenis die enorme menigten trok.



Cartouche, de gentleman inbreker

 

*Henri-Désiré Landru, (1869 – 1922) was een Franse seriemoordenaar ook wel de Franse  Blauwbaard genoemd. In 1914 was Landru actief als handelaar in tweedehandsmeubels. Hij begon met het plaatsen van contactadvertenties in Franse kranten, waarbij hij zichzelf voordeed als een rijke weduwnaar die verlangde naar een eenzame weduwe om met haar zijn laatste dagen te delen. Wel 283 vrouwen reageerden en Landru koos de rijksten uit. Met hen begon hij een korte relatie en hij lokte hen naar de huizen die hij gehuurd had, aanvankelijk een huis in Vernouillet, later een in Gambais. Daar bracht hij hen om het leven. Hun lichaam hakte hij waarschijnlijk in stukken en verbrandde hij (gedeeltelijk) in zijn oven. Op 30 november 1921 werd Landru schuldig bevonden en tot de guillotine veroordeeld.


Originele politiefoto's van Henri-Désiré Landru

 

*Marcel Petiot (1897-1946) werkte als arts in Parijs. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zette hij een gefingeerd ontsnappingsnetwerk op. Hij bood aan mensen te laten ontsnappen via Vichy-Frankrijk naar Argentinië tegen betaling. In werkelijkheid doodde Petiot zijn slachtoffers met een injectie. Hij pikte hun kostbaarheden in en versneed hun lijken. De resten dumpte hij in ongebluste kalk of verbrandde hij in een oven. Gealarmeerd door omwonenden die klaagden over een walgelijke caramelgeur die uit de schoorsteen kwam, vond de Parijse brandweer in maart 1944 de resten van zijn slachtoffers. Petiot ontkwam echter aan arrestatie door zich aan te sluiten bij de Franse Binnenlandse Strijdkrachten. Na de bevrijding van Parijs werd Petiot in oktober 1944 alsnog gearresteerd. Toen men hem kort na zijn arrestatie onder de neus wreef dat hij zou worden aangeklaagd wegens het uit de weg ruimen van ten minste zevenentwintig mensen, riep Petiot verontwaardigd: “Dan wel correct blijven hè: het waren er drieënzestig,” zei hij lachend. Hij werd ter dood veroordeeld in mei 1946 voor de moord op minstens 27 personen, waarvan 12 joden, en werd geëxecuteerd. Zijn buit, de gestolen kostbaarheden, werd nooit teruggevonden.


Docteur Marcel Petiot

 

Tijdens je bezoek ontdek je hoe banale bewijsstukken het mogelijk hebben gemaakt om grote zaken op te lossen. Een huiveringwekkende verzameling moordwapens – hamers, ijsbijlen, messen boksbeugels en zelfs het pistool waarmee president Doumer in 1932 werd vermoord. Minder gevaarlijke items zoals een apparaatje waarmee bankbiljetten uit de zakken van marktkooplieden konden worden gejat. Een museum vol gekke, duistere, wrede en spannende verhalen.

 

Een uniek museumstuk; een origineel mes van de guillotine


De hoofdroute door het museum begint met het Ancien Régime, toen koning Lodewijk XIV in 1667 het ambt van luitenant van politie instelde. Na de Franse revolutie in 1871 herstelde Napoleon de orde door de functie van prefect van politie in te stellen, waarmee een einde kwam aan de instabiliteit en corruptie. In 1829 kwamen de eerste politieagenten in uniform. Vervolgens gaat het over de oprichting van de Nationale Garde en de oprichting van het Vredeskorps. Verder wordt ook uitgebreid uitgelegd hoe de politie zich ontwikkelde naarmate de stad groeide. Je loopt langs glazen kasten vol met wapens (zowel van politie als van criminelen) namaakartikelen en kranten artikelen van beroemde zaken en gebeurtenissen. Er is ook een schaalmodel te zien van de guillotine, plus een echt mes. 


Een oude celdeur uit 1836 afkomstig van de 'Prison de Mazas', gevestigd aan de boulevard Diderot


Glazen vitrines vol met wapens


Het laatste deel van het museum is het modernste. Dit gaat uitgebreid in op de ontwikkeling van forensisch onderzoek. Er is een reconstructie van het Atelier van Alphonse Bertillon. Hij ontwikkelde in 1879-1880 een systeem om personen te identificeren. Dit systeem werd wereldwijd gebruikt en naar hem ‘Bertillonage’ genoemd.

 

Het Atelier van Alphonse Bertillon




Vier zones leggen op een leuke en leerzame manier het gespecialiseerde werk uit van de forensische politie met DNA, vingerafdrukken en andere nieuwe technieken waaronder odorologie. Odorologie, ofwel de wetenschap van geuren, is een techniek die voornamelijk wordt gebruikt in de forensische wetenschap voor justitiële identificatie. De techniek is gebaseerd op geuranalyse door honden om criminelen op te sporen of de geur van objecten te identificeren (explosieven, verdovende middelen en lichamen van vermiste personen).

Vier zones leggen op een leuke en leerzame manier het gespecialiseerde werk uit van de forensische politie

 
In 1967 bracht George Simenon een bezoek aan dit museum. In de vitrine een origineel reçu uit 1936 voor een identiteitskaart uitgegeven door de Préfecture de la Police. Wie weet was hij ook op zoek naar materiaal voor zijn boeken. Misschien ben jij wel een beginnend schrijver of een fervent lezer, kenner  van de avonturen van de gentleman-inbreker of  de onderzoeken van Commissaris Maigret, je bent hier aan het juiste adres. De beroemde Parijse politie leidt je naar de onderwereld van de Franse hoofdstad.


In 1967 bracht George Simenon een bezoek aan het museum


Een origineel reçu uit 1936 voor een identiteitskaart van George Simenon, uitgegeven door de Préfecture de la Police

 

Musée de la Préfecture de la Police, rue de la Montagne Sainte Geneviève 4, 5e arrondissement. Metrostation Maubert-Mutualiteit, lijn 10.

Het museum is gratis te bezoeken van maandag t/m vrijdag van 09.30 uur – 17.00 uur.