Paris FvdV is een niet commercieel weblog speciaal voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

Privacy verklaring: Indien u weblog Paris FvdV, dat bij Google-Blogger is ondergebracht, leest en reageert op de blogs van Paris FvdV, doet u dat vrijwillig en is uw IP-adres en mailadres - indien u dat vermeld - bekend en wordt opgeslagen. Ook uw schuilnaam waaronder uw reageert wordt opgeslagen. Paris FvdV zal uw gegevens nooit aan derden doorgeven. We houden uw gegevens privé, tenzij de wet of rechtelijke macht ons dwingt uw gegevens aan hen te verstrekken. Datalekken in het systeem vallen onder de verantwoordelijkheid van Google-Blogger. Door weblog Paris FvdV te bezoeken en/of de op of via deze weblog aangeboden informatie te gebruiken, verklaart u zich akkoord met de toepasselijkheid van deze disclaimer. Google gebruikt cookies om services te leveren en verkeer te analyseren dus uw IP-adres en user-agent zijn bij Google bekend, samen met prestatie- en beveiligingsstatistieken om servicekwaliteit te garanderen, gebruiksstatistieken te genereren, misbruik te detecteren en maatregelen te treffen.

woensdag 25 maart 2026

DE TUILERIEËNTUNNEL EEN UNIEKE KUNSTBESTEMMING IN HET HART VAN PARIJS

 

In mijn reisgids Ongewoon Parijs besteed ik maar 6 van de 160 pagina’s aan het eerste en tweede arrondissement. Jullie weten; Ik ben dol op Parijs, maar het is in het eerste en tweede arrondissement veel te druk…Het is juist hier dat veel mensen ontmoedigd raken door het toerisme, vooral in het weekend. Musea, galerieën en zogenaamd hippe cafés zitten bomvol en een plekje vinden om te zitten wordt al snel een ware hindernisbaan. Het meest ergerlijk zijn de wachtrijen die ontstaan door hippe Instagrammers die weer zogenaamd iets bijzonders ontdekt hebben. Rijen toeristen voor een kop warme chocolade bij Angelina of dippen met een enorme, nauwelijks hanteerbare, croissant op een terras in een minuscuul klein kopje cappuccino. Alles voor de foto op Instagram onder het motto; kijk mij nou!



Een kunstgalerie onder je voeten, sterker nog onder het Louvre
 

Tunnel des Tuilleries

Maar voor diegene die, net als ik, het toeristische Parijs wil ontdekken en steeds op zoek blijft gaan naar de echte ‘couleur locale’ ontdekte ik een zeldzame plek, een kunstgalerie onder je voeten. Pal in het hart van het eerste arrondissement, waar eeuwen geschiedenis samensmelten met het moderne stadsleven, biedt een bescheiden tunnel een uniek perspectief op de evolutie van de stad. De ‘Tunnel des Tuileries’, over het hoofd gezien door toeristen die zich haasten tussen de bekendere bezienswaardigheden, is een stille getuige van de transformatie van de Franse hoofdstad. Deze ondergrondse corridor, met zijn combinatie van functionaliteit en historische betekenis, nodigt bezoekers uit om een minder bekend aspect van de Parijse infrastructuur en stadsplanning te ontdekken.



Deze Mona Lisa daalde af vanuit het Louvre naar de Tunnel des Tuileries

 

Een verbinding met de Parijse geschiedenis

De ‘Tunnel des Tuileries’ is niet zomaar een tunnel. Hij werd ontworpen als onderdeel van een groots moderniseringsplan voor Parijs aan het einde van de 19e eeuw. De tunnel werd gebouwd om de verkeersstroom tussen het Louvre en de Place de la Concorde, twee van de meest iconische plekken van de stad, te vergemakkelijken. Deze 861 meter lange tunnel werd in 1967 geopend als eenrichtingsverkeer van west naar oost. Destijds maakte hij integraal deel uit van de ‘snelweg’ Georges - Pompidou. Toen de tunnel werd gebouwd, werd het beschouwd als een opmerkelijke technische prestatie. De uitdagingen van het aanleggen van een ondergrondse doorgang in het hart van Parijs, met zijn complexe geologie en eeuwenlange stedelijke ontwikkeling, waren aanzienlijk. Toch hielden de ingenieurs en arbeiders van die tijd vol en creëerden ze een constructie die de tand des tijds heeft doorstaan. De stevige wanden en het gewelfde plafond van de tunnel getuigen van de vaardigheid en het vakmanschap van de bouwers. 

Maar in april 2010 presenteerde de toenmalige Parijse burgemeester Bertrand Delanoë een opzienbarend en ambitieus plan om de kades langs de Seine nieuw leven in te blazen en terug te geven aan de Parijzenaars. "Auto's zullen in hogere mate geweerd worden en wandelaars en fietsers krijgen volop ruimte. De kades moeten gebruikt gaan worden voor sport, cultuur en natuur", aldus Delanoë. "We willen de oevers hun schoonheid teruggeven aan de Parijzenaars en aan iedereen die van Parijs houdt. Ik wil dat het plaatsen worden om te leven en te ontspannen, en niet langer een autosnelweg door de stad". In 1991 werden de stenen kades door de Unesco op de lijst van beschermd werelderfgoed gezet. "Parijs is ontstaan aan de Seine. Hoe kunnen we accepteren dat die as, die dwars door de stad loopt, alleen nog dient als autoweg?" zei Delanoë, als een soort indirecte repliek aan Georges Pompidou, de initiatiefnemer van de snelweg aan de Seine. 

Na de afsluiting tussen Châtelet en het eindpunt van de snelweg Georges - Pompidou voor autoverkeer, werd deze tunnel uitsluitend gereserveerd voor voetgangers en fietsers. De locatie van de tunnel is doordrenkt van historische betekenis. Hij loopt onder de plek van het voormalige Tuileries-paleis, een koninklijke residentie die werd verwoest tijdens de Commune van Parijs in 1871. Terwijl bezoekers door de tunnel lopen, passeren ze letterlijk lagen Parijse geschiedenis. De grond erboven draagt herinneringen aan koninklijke intriges, revolutionaire geestdrift en de transformatie van Parijs van een middeleeuwse stad tot een moderne metropool.

 


Een kunstgalerie onder je voeten

De ingang ligt verscholen aan de quai du Louvre. Ter hoogte van de Seinekade bij de rue de l’Amiral de Coligny neem je de trap naar beneden en ga meteen links af. Als je goed oplet zie je fietsers vanuit de Pont Neuf verdwijnen onder de quai du Louvre. Daar is het begin van de tunnel. Sinds 2022 is de tunnel overgenomen door verschillende straatkunstenaars uit Frankrijk en daar buiten. Al meer dan drie jaar brengen kleurrijke muurschilderingen een vleugje poëzie naar deze plek die ruim 10 jaar verlaten was, maar nu bekend staat om zijn verbluffende straatkunst, waar bezoekers genieten van een wandeling van 30 tot 40 minuten door een lange tunnel. De ruimte is absoluut veilig en toegankelijk en trekt zowel voetgangers, joggers als fietsers aan, die de steeds veranderende kunstwerken en de levendige sfeer, gecreëerd door zowel kunstenaars als muzikanten, waarderen.


Al meer dan drie jaar brengen kleurrijke muurschilderingen een vleugje poëzie naar deze plek die ruim 10 jaar verlaten was




De wanden van de tunnel zijn versierd met een wisselende selectie muurschilderingen en installaties, waardoor deze utilitaire ruimte verandert in een dynamische galerie. Deze kunstwerken, die vaak de hedendaagse Parijse cultuur en maatschappelijke vraagstukken weerspiegelen, vormen een schril contrast met de historische context van de tunnel. Het was oorspronkelijk een initiatief van niemand minder dan Nicolas Laugero Lasserre directeur van Artistik Rezo galerie en met steun van de stad Parijs. Laugero Lasserre is ook medeoprichter van de Artflux- groep, die zes culturele en kunstzinnige locaties aan de Seine verenigt: Fluctuart, Le Marcounet, Nanna, Les Péniches de Paris, Quai de la Photo en Le Son de la Terre. In juli 2022 werd er heldere en kleurrijke verlichting aan de tunnel toegevoegd, samen met 10 tijdelijke muurschilderingen die minstens een jaar zichtbaar zouden zijn, minimaal tot de zomer van 2023.





 

Maar toen gebeurde er iets: de strakke fresco's, die balanceerden tussen urban art en hedendaagse kunst, werden al snel overgenomen door lokale graffitikunstenaars! Hoe had de stad Parijs kunnen bedenken dat deze plek geen afgunst of jaloezie zou opwekken? Natuurlijk bevonden sommige van de 'vandalistische' kunstenaars zich in de collectie van de curator en het is zeer waarschijnlijk dat hij stiekem de bedoeling had om de plek wat levendiger te maken, maar sommige kunstenaars die hun tags kwamen zetten, deden dat zonder voorafgaande toestemming en vooral zonder enige toestemming! Hoe kan een straatkunstenaar nu niet zwichten voor het idee om zijn werk aan de voet van het Louvre te plaatsen! Ik kan me hun enorme voldoening voorstellen die ze daarbij moeten hebben gehad en stiekem ben ik ze daar dankbaar voor, want deze plek is magisch! 


De veelheid aan werken, de diversiteit aan onderwerpen en de snelheid waarmee ze worden vervangen, laten zien hoe de cultuur nog steeds springlevend is in het hart van de hoofdstad!


 


De verlichting verandert van kleur net als verkeerslichten en beïnvloedt de fresco’s. De lichten staan allemaal in constante interactie met hun publiek, sommige concentreren zich alleen op de rennende joggers, weer anderen op de voorbijgangers. Er hangt een rauwe sfeer en ondanks de veiligheid bekruipt je toch een gevoel van onrust, zo van waar kom ik uit? Er is zeker sprake van vergankelijkheid en er is geen garantie van wat je vandaag hebt gezien er morgen nog zal zijn.



 





De Tuilerieëntunnel staat voor mij symbool voor de voortdurende evolutie van Parijs. Het vertegenwoordigt het vermogen van de stad om zich aan te passen en te groeien, terwijl ze tegelijkertijd haar historische erfgoed koestert. Terwijl stedenbouwkundigen en architecten de toekomst van Parijs blijven vormgeven, dient de tunnel als een herinnering aan de vindingrijkheid en visie die altijd de kern van de stadsontwikkeling hebben gevormd. Bovendien biedt het een unieke en verrijkende ervaring voor wie bereid is buiten de gebaande paden te treden. 



Eenmaal buiten de tunnel wordt je verwelkomd door het weelderige groen van de Tuillerieën, een meesterwerk van landschapsarchitectuur uit de 16e eeuw. Deze tunnel verbindt niet alleen twee belangrijke locaties, maar belichaamt ook de essentie van de Franse hoofdstad: een stad waar geschiedenis, kunst en natuur prachtig samenkomen.



 

Ik raad je van harte aan om deze tunnel te bezoeken en te genieten van de ultieme smaak van vrijheid. Mocht je toevallig alleen naar Parijs komen om urban art te proeven en ben je net zo gek als ik en houd je van de sfeer van dit soort vrije plekken, dan mag je Aubervilliers niet missen, aan de kant van het Canal de l'Ourcq of aan de overkant van de Seine; op Spot 13 of de Butte aux Cailles, Street-Art 13 in het 13e arrondissement en last but not least de rue Dénoyez in Belleville.

 

 

zaterdag 14 maart 2026

LES ROUTIERS DE PARIS, GASTRONOMISCHE EN CULTURELE MONUMENTEN

 

Al meer dan 90 jaar verbindt het ‘Relais Routiers-netwerk’ restaurants die vriendelijke gerechten aanbieden tegen een uitstekende prijs-kwaliteitsverhouding. Relais Routiers, een levendig onderdeel van de gastronomische geschiedenis, liggen verspreid langs de Franse wegen en bieden degenen die er stoppen huisgemaakte, traditionele, gulle gerechten. Drie zijn er nog te vinden in Parijs, maar daarover straks meer.



Het verhaal van ‘Relais Routiers’ begon in 1934, toen een aristocraat en journalist genaamd François de Saulieu de opdracht kreeg een artikel te schrijven voor ‘Le Petit Parisien’ over een destijds nieuw beroep dat aan het begin van de 20e eeuw op heroïsche wijze was ontstaan, namelijk vrachtwagenchauffeur. Het goederenvervoer onderging immers een logistieke revolutie dankzij de vrachtwagens, terwijl het spoor- en binnenvaartvervoer te kampen hadden met de nadelen van omslachtige logistiek.

Saulieu vergezelde een vrachtwagenchauffeur op zijn rit in een Bernard H8-vrachtwagen voor een reis van twee dagen. Hij was onderweg van Les Halles in Parijs naar de haven van Marseille om zijn reportage te schrijven. Het was een beroep waar weinig mensen zich destijds om bekommerden, en hij ontdekte het van binnenuit. Hij vertelt hoe hij ontroerd was door ‘de hardheid van het werk en de eenzaamheid van deze stoere mannen met een groot hart op de weg’. Niemand leek zich om hun behoeften te bekommeren. 

Als gevolg van die inspanning richtte de Saulieu samen met Louis Navière datzelfde jaar de krant Les Routiers op,. waarvan de naam de oorsprong is van de term ‘chauffeurs’ die we tegenwoordig gebruiken. Destijds was het gebruik van de term ‘routiers’ een merkwaardig idee. Het riep associaties op met struikrovers of loodsen die schepen door lastige passages loodsten.

Het doel van deze krant? Het ondersteunen van de uitgebreide familie van vrachtwagen-chauffeurs en het verbeteren van hun arbeidsomstandigheden. 

De oprichters van de krant hadden het echter in de beginjaren moeilijk, omdat de abonnementen niet voldoende binnenkwamen, waardoor de financiële stabiliteit van hun prille onderneming in gevaar kwam. Omdat ze liefhebbers waren van lekker eten, besloten ze daarom door Frankrijk te reizen. Hun missie was om restaurants te vinden waar vrachtwagenchauffeurs het meest stopten en de krant daar te verspreiden.


Saulieu stelde ook een vijfpuntencharter op waaraan cafés en restaurants zich moesten houden om officieel ‘Relais Routiers’ (of kortweg Routiers) te worden en het blauw-rode logo te mogen voeren, zodat vrachtwagenchauffeurs het vanaf de weg gemakkelijk konden zien. Het eerste restaurant dat het blauw-rode wielvormig uithangbord op de gevel plaatste, eind 1934 was ‘Le Cheval Noir’ in Champagne-au-Mont-d’Or aan de Route Nationale 6. Dat charter bestaat nog steeds en bepaalt dat de Routiers het volgende moeten bieden:

 

1. Een hartelijk welkom

2. Het eten wordt zoveel mogelijk ter plaatse bereid en in royale porties geserveerd.

3. Een voorgerecht, hoofdgerecht of hoofdgerecht en dessert voor minder dan €25   (gecorrigeerd voor inflatie)

4. Een douche voor de vrachtwagenchauffeurs

5. Een extreem grote parkeerplaats

 

Zo verspreidde het bord zich vanaf 1934 langs de Franse wegen. De krant Les Routiers wijdde pagina's aan een lijst van rustplaatsen langs de weg. In de tijd dat olielekkages veel voorkwamen, werd gezegd dat een goed tankstation er een was met veel olievlekken op de parkeerplaats, als bewijs van de trouwe aanwezigheid van de chauffeurs. Vervolgens werdGuide des Relais Routiers’ gelanceerd, een jaarlijkse uitgave met een overzicht van alle goede restaurants en cafés langs de route. Later werd de gids uitgebreid met meer criteria. De onderscheiding ‘La Casserole’ is in het leven geroepen om de beste restaurants te erkennen, vergelijkbaar met de Michelinsterren. Suggesties voor bezoeken en informatie over lokaal erfgoed worden toegevoegd aan de pagina's van de gids om gezinnen te helpen bij hun vakantie, om zo de reputatie van de Relais Routiers (wegrestaurants) te versterken.



 

Les Routiers à Paris

Heb je geen vrachtwagen? Geen probleem! Je kunt nog steeds een van de drie laatste overgebleven wegrestaurants in Parijs bezoeken. Zodra je binnenstapt, waan je je in een andere wereld waar de tijd al meer dan 50 jaar stilstaat! Wat je er aantreft is echter magisch: eenvoudig en heerlijk eten, een oprechte vriendelijke bediening en dat alles voor een betaalbare prijs…  Charmant en authentiek!


 

Les Marches

Allereerst neem ik je mee naar het 16e arrondissement. Welkom bij Les Marches, een authentieke Parijse bistro, precies zoals we die allemaal kennen en waarderen. Een rustig plekje aan de voet van de Eiffeltoren, verscholen tussen de Seine en het Palais de Tokyo, het museum voor Moderne Kunst, met een vredig terras en huiselijke gerechten die verfijnd, eenvoudig en royaal zijn. Hier geen gefabriceerde nostalgie voor toeristen, maar alles wat je nodig hebt voor een gezellige lunch of diner met vrienden. De authenticiteit wordt bevestigd door het blauw-rode bord van ‘Les Routiers’. 






Les Marches, onderging eind 2014 een metamorfose met de komst van de ervaren gebroeders Dunant. Zij vestigden het restaurant op de voormalige locatie van ‘Marches du Palais’ en transformeerden het tot een modern  Parijs wegrestaurant. Deze vriendelijke, ouderwetse bistro-achtige  zaak is inmiddels een groot succes. Zonder reservering geen tafeltje. Je wordt hartelijk ontvangen en uitstekend bediend. Les Marches Routier heeft een ouderwetse gevel met rode luifel, traditionele bistro-inrichting in de twee eetzalen, mozaïekvloeren, een bar, wanden met donker hout, lichte muren, spiegels, banken en menukaarten. Rood-wit geblokte papieren tafelkleden houten tafels en stoelen, lachende serveersters en een uitgebreide menukaart net als vroeger. Bij mooi weer worden er enkele tafels op het terras gezet. Alle dagen geopend voor lunch en diner.




Voorgerechten van € 7 - € 16, Hoofdgerechten van € 18,50 - € 32, nagerechten van € 7 - € 12

Voor de recente menukaart klik hier.

Rue de la Manutention 5, 16e arrondissement, metrostation Iéna, lijn 9.

 


 

Chez Léon

Chez Léon, een wegrestaurant halverwege het treinstation Saint-Lazare en de warenhuizen. Te midden van de drukte van rue du Havre en rue de Rome heerst er iets geruststellends. Geruite tafelkleden en servetten, knoflookworst, haring met aardappelen in olie, een kwart liter Côtes-du-Rhône en een vitrine met hardgekookte eieren, zelfgemaakte friet zoals oma die vroeger maakte... Het is zo'n plek waar je het niet erg vindt om alleen te lunchen, want de eetzaal is op zich al een bezienswaardigheid. Chez Léon bestaat al sinds 1910 en werd in 1934 de onofficiële zetel van de vrachtwagen-chauffeursvakbond en een aanbevolen plek in de vracht-wagenchauffeursgids vanwege de goede prijs-kwaliteitverhouding. In 1960 nam de familie Grange de zaak over en zij runnen het nog steeds. Madame Grange, de moeder, staat nog steeds achter de kassa, terwijl haar zoon André in de keuken staat, vaak bijgestaan door zijn zoon. Deze bistro heeft echter zorgvuldig zijn charmante jaren '50-inrichting bewaard en is geen dag ouder geworden. Alsof het zich in een eigen wereldje bevindt, lijkt Chez Léon te ontsnappen aan de hectiek van de buurt. Lunchgerechten zijn onder andere de altijd populaire steak tartaar, biefstuk met een gebakken ei en frankfurters met friet. Daarnaast is er een lijst met vijf of zes gerechten die regelmatig wisselen, allemaal huisgemaakt. En het klopt dat ik mij hier een beetje thuis voel. Klaar voor een nostalgische trip tussen het winkelen door? Je hebt al een dagschotel van €14 tot €16.  

Chez Léon, rue de l'Isly 5, 8e arrondissement, metrostation Saint-Lazare, lijn 3, 12, 13, 14.

Geopend van dinsdag tot en met vrijdag van 6.00 tot 23.00 uur, zaterdag van 8.00 tot 19.00 uur.


 


Aux Bons Crus

Hoewel je in dit restaurant in de wijk Voltaire (11e arrondissement) waarschijnlijk geen vrachtwagenchauffeur tegenkomt tijdens een ‘road trip’, zal het je niet verbazen als je er Parijzenaars aantreft die op zoek zijn naar "traditionele" gerechten. Desondanks vormen de geruiten tafelkleden, de flessen Aperol, de plastic broodmand en de vintage posters aan de wand nog steeds een belangrijk onderdeel van het decor van Aux Bons Crus. Het menu doet de naam ‘truckstop’ eer aan. Drie kernelementen weerspiegelen de criteria voor het verkrijgen van het felbegeerde blauw-rode bord: een warm welkom, onberispelijke kwaliteit en redelijke prijzen. De kers op de taart: bij Aux Bons Crus is het La Casserole-label. Deze onderscheiding, ingesteld in 1965, erkent restaurants met een hoogwaardige keuken. 




De must haves zijn hier;

Œufs Meurette, Pâté en Croûte, Le Chou Farci des Routiers,  Tête de Veau, Cœur de Rumsteak au Poivre,, Baba au Rhum avec le Rhum Diplomatico. Wekelijks een vast menu voor €22, alleen tijdens de lunch.

Aux Bons Crus, rue Godefroy-Cavaignac 54, 11e arrondissement, metrostation Voltaire, lijn 9. Dagelijks geopend van 12.00 tot 14.30 uur en van 19.30 tot 22.30 uur.



 

Les Routiers de Paris, een truckstop die met de metro bereikbaar is. Traditionele Franse restaurants die bekend staan om hun huisgemaakte, ‘Fait Maison’, gulle gerechten tegen een goede prijs-kwaliteitverhouding verzekeren het voortbestaan van een bijna honderd jaar oude Franse traditie. Door de sterke inflatie van de afgelopen twee jaar is uit eten gaan in Parijs – vooral in traditionele restaurants – voor veel mensen onbetaalbaar geworden. Maar het netwerk van ruim 700 ‘Relais Routiers’ die ook voor het grote publiek toegankelijk zijn, heeft zich ingespannen om de prijzen laag te houden.


 

Meer tips om van Parijs te genieten zonder je portemonnee te plunderen vind je in mijn nieuwe reisgids ‘Parijs Budgetvriendelijk Beleven’. Verkrijgbaar online of bij elke goede boekhandel. Paperback met vele kleurenfoto’s van Parijs, 160 pagina’s. ISBN 978-94-93358-65-2, prijs € 24,50



dinsdag 3 maart 2026

EEN STATION VOOR DE KUNST VAN DE NEGENTIENDE EEUW

 

Herkennen jullie dat ook; moeite hebben met jezelf beperkingen op te leggen bij een bezoek aan een museum in Parijs? Het overkwam mij bij weer eens een bezoek aan het Musée d’Orsay. Het museum bezit ongeveer 150.000 werken in zijn collectie, die alle technieken omvatten. Schilderijen, beeldhouwkunst, kunstobjecten, foto’s en tekeningen van kunstenaars en architecten. Nationale openbare collecties die het resultaat zijn van een lange geschiedenis die begon in de 19e eeuw. Daarmee vormt zij de verbindende schakel tussen de collecties van het Louvre en het Centre Pompidou / Beaubourg. 16.000 m² tentoonstellingsoppervlak, verdeeld over drie lagen: Begane grond, tussenverdieping en bovenste verdieping. De centrale hal, een ontwerp van de Italiaanse architecte Gae Aulenti, is zo indrukwekkend dat ik besloot mij te beperken tot de centrale gang, het Seine terras en het Lille terras vol met beeldhouwkunst. De beeldhouwcollectie van het museum omvat meer dan 2.200 stukken, inclusief de werken die in depot zijn bij andere instellingen. De getoonde collectier is levendiger dan ooit en gaf mij de kans om de beeldhouwkunst van de tweede helft van de 19e eeuw beter te leren kennen en….te bewonderen.



Musée d'Orsay, de centrale hal, een ontwerp van de Italiaanse architecte Gae Aulenti
 

Ontstaan

Gare d’Orsay, speciaal gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1900. Toen het bijna voltooid was merkte de kunstschilder Jean-Baptiste Édouard Detaille spottend op; “zo’n grandioos spoorwegstation dat eruitziet als een Paleis voor Schone Kunsten, terwijl het Paleis voor Schone Kunsten op een station lijkt! Mijn advies aan de architect Victor Laloux is ze om te wisselen nu het nog kan”. Ruim 80 jaar later zou deze ironisch bedoelde suggestie werkelijkheid worden.

 

Transformatie

In de jaren zeventig gaf het idee om het treinstation van Orsay om te vormen tot een museum een nieuwe impuls aan de beeldhouwkunst uit de tweede helft van de 19e eeuw . Het nieuwe gebouw bood een ideale ruimte voor deze kunstvorm: het grote middenschip, verlicht door het steeds veranderende natuurlijke licht dat door het glazen gewelf naar binnen viel. Zo kon het publiek de beeldhouwkunst uit deze periode in al haar rijkdom en diversiteit herontdekken. Bij de opening in december 1986 bracht het Musée d'Orsay een collectie van ongeveer 1200 sculpturen bijeen, grotendeels afkomstig uit de voormalige collecties van het Musée du Luxembourg, het Louvre en staatsdepots.



 

Bij binnenkomst in het Musée d'Orsay valt direct de monumentale klok op. Een majestueus symbool van het industriële tijdperk dat getuigt van het architectonische genie van Victor Laloux. De architect integreerde dit functionele object op meesterlijke wijze in een opmerkelijke artistieke compositie, waarbij hij staal en glas met zeldzame elegantie combineerde. Het oorspronkelijke bouwwerk omvat drie van deze monumentale klokken: twee aan de buitengevel en één in de centrale hal. Tijdens de verbouwing tot museum in 1986 hebben de architecten deze historische objecten behouden, omdat ze de uitzonderlijke erfgoedwaarde ervan erkenden.

 


Collectie

Vervolgens de collectie sculpturen die de grote hal vullen waar vroeger treinen stonden te wachten op hun reis naar Orléans. Het daglicht stroomt door het glazen dak waardoor het Musée d'Orsay een ideale plek is om de sculpturen optimaal te bewonderen. Er zijn honderden beelden en bustes van de meest gevierde kunstenaars waaronder: Daumier, Carpeaux, Rude, Pradier, Cordier, Cavelier, Mercië, Rodin, Maillol, Bourdelle, Claudel en nog veel meer. In deze blog beperk ik mij tot enkele hoogtepunten om jullie zo een goed beeld te geven van de rijkdom van de immense collectie.

 

Jules Desbois (1851-1935)

In 1878 ontmoette Desbois Auguste Rodin op de bouwplaats van het voormalige paleis Trocadéro en ze werden vrienden. Datzelfde jaar besloot hij zijn geluk in de Verenigde Staten te beproeven, maar hij maakte daar geen fortuin en keerde drie jaar later terug naar Frankrijk. Werd assistent van Auguste Rodin om de vele opdrachten te verwerken. Naar verluidt ontdekte hij in 1887 het tachtigjarige Italiaanse model Maria Caira, die model voor hem stond voor zijn schilderij ‘la Misère’ en die later Rodin en Camille Claudel zou inspireren tot werken als ‘la belle Heaulmière’ en ‘l'Hiver et Clotho’. Hoewel hij werd beschouwd als "een van de beste beeldhouwers van zijn eeuw", raakte Desbois na zijn dood in de vergetelheid en werden zijn werken verspreid. Bovendien overschaduwde zijn samenwerking met Rodin zijn eigen werk, waardoor de geschiedenis alleen de naam van de meester herinnerde (bron Wikipedia).



Mannentorso - Jules Desbois 1934


Antoine Bourdelle (1861-1929)

Bourdelle oogst succes op de Salon van 1910 met zijn meer dan levensgrote beeld van ‘Heracles als boogschutter’. Er bestaan twee versies. Het Musée d’Orsay toont een afgietsel van de tweede versie. Hierin is de boogschutter niet als torso uitgevoerd en zijn de rotsen waar Heracles op knielt en zich tegen afzet in de sculptuur opgenomen. Bourdelle liet voor de schutter een echte sportman poseren. Brons uit 1909


Antoine Bourdelle - Boogschutter 1909

 

Aristide Maillol (1861-1944)

Geldt terecht als de belangrijkste wegbereider voor de moderne beeldhouwkunst in Frankrijk. Waar Auguste Rodin als unieke, zo niet geniale verschijning toch gebonden blijft aan de 19e eeuw, brengt Maillol de beeldhouwkunst nieuwe principes bij die stijlvormend zullen doorwerken. Vanaf 1895 studeerde hij beeldhouwkunst bij Émile-Antoine Bourdelle. Het werk in lood, ‘de begeerte’, maakte hij in Parijs in 1907. De strenge geometrie die Maillol opbouwt uit menselijke lichamen, ondersteunt op suggestieve wijze de inhoudelijke uitdrukkingskracht van dit werk: het gevangen zijn in het begeren, het aandringen van de man en het terugwijken van de vrouw.


Aristide Maillol - De Begeerte 1907

 

Aristide Maillol was een groot bewonderaar van de Franse kunstschilder Paul Cézanne (1839-1906). Na 1907 werkt Maillol aan ontwerpen voor een plastiek ter nagedachtenis van Paul Cézanne. Tegen 1912 krijgt hij van het ‘comité du Monument Cézanne’ uiteindelijk de opdracht voor een standbeeld dat in de geboortestad van de kunstschilder, Aix-en-Provence, opgericht gaat worden. Een rustig liggende vrouwelijke naaktfiguur met een lauwertak in de hand. De versie in het museum is uit 1925.



Aristide Maillol - 1925
 

Auguste Rodin

Rodin (1840-1917) mag zich de belangrijkste Franse beeldhouwer noemen rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. Hij geldt als de wegbereider van de moderne beeldhouwkunst. Kenmerkend voor zijn werk is de onrustige modellering van de oppervlakken, die weer zorgde voor een prachtige lichtreflectie op het brons. Rodins beeldhouwwerk verbaast door zijn sterke expressie, energie en vitaliteit. De mannen met grote gespierde blote voeten met stevige tenen en goedgespierde torso’s, terwijl zijn vrouwen vaak zachte vormen hebben. Dit is vooral goed te zien in zijn beroemde marmerwerk 'Le baiser', de kus. Van dit werk, dat geldt als een van de beroemdste en succesvolle stukken van Rodin, bestaan slechts twee kopieën, een in Kopenhagen en een in London. In het Musée d’Orsay is veel werk te zien van Rodin. Mijn aandacht ging uit naar deze bronzen buste van Victor Hugo. Gemaakt tussen 1889 en 1909 en gegoten door Alexis Rudier, een invloedrijke Parijse bronsgieter die in 1874 de Fonderie Rudier oprichtte. De gieterij stond bekend om het gieten van werken voor meesters zoals Auguste Rodin, Antoine Bourdelle, Aristide Maillol, Honoré Daumier en Henry Moore.


Auguste Rodin - Victor Hugo 1909

 

In 1880, wanneer Rodin voor het eerst een werk verkoopt aan de Franse staat krijgt hij de opdracht om een bronzen portaal te maken voor het nieuw te bouwen Musée des Arts Décoratifs. Als thema kiest hij Dantes ‘Divina Commedia’, het boek dat hem sinds zijn reis naar Italië in 1875 niet meer heeft losgelaten. Ugolin (1881-1882) is een dramatisch gipsen sculptuur van Auguste Rodin, geïnspireerd op Dante's Goddelijke Komedie. Het toont de graaf Ugolino, ingemetseld met zijn zonen in de gevangenis die hun graf zou worden, zag hen sterven en, gek van honger, knaagde hij aan hun vlees voordat hij zelf stierf. Het werk werd oorspronkelijk ontworpen voor ‘de Poort van de Hel’ en toont Rodins kenmerkende emotionele, rauwe realisme. De figuur is opgebouwd rond een centrale leegte; De gekwelde modellering, de ontwrichte lichamen van de kinderen en de misvormde ledematen benadrukken allemaal de morbide, dramatische sfeer.



Auguste Rodin - Ugolin 1902 - 1912

 

Jean-Baptiste Carpeaux (1827-1875)

Carpeaux begint aan zijn ‘Ugolin’ als hij in 1858 in Rome woont. Daar komt hij in aanraking met het werk van Michelangelo die hij zeer bewondert. Carpeaux zou drie jaar nodig hebben om het gipsmodel te voltooien. In 1882 geeft de Franse staat opdracht voor het maken van een bronzen afgietsel, dat vervolgens in de tuinen van de Tuileriën wordt opgesteld. Nu is het te vinden bij de centrale ingang van het museum.


Jean-Baptiste Carpeaux - Ugolin

 

De met Carpeaux bevriende architect Charles Garnier verwerft in 1861 de opdracht voor het nieuwe gebouw van de Parijse opera. Een jaar later kan al de eerste steen worden gelegd, maar pas in 1875 zal het gebouw officieel geopend worden. Aan de voorgevel moeten vier allegorische voorstellingen komen van de kunstvormen die de opera dienen. Carpeaux krijgt in 1865 de opdracht voor ‘De Dans’. Hij schept een reidans van zes uitgelaten dansende, naakte meisjes rond een gevleugelde genius die de tamboerijn slaat. Als in 1869 de meer dan vier meter hoge groep wordt onthuld breekt een geweldig schandaal los. Dit is toch niet passend voor een operagebouw. In 1964 werd de inmiddels sterk door luchtvervuiling aangetaste beeldengroep verwijderd en naar het Louvre overgebracht en weer later naar het  Musée d’Orsay. Op de Opéra Garnier staat een kopie.



Jean-Baptiste Carpeaux - De Dans
 

In de centrale hal staat een gipsenmodel van ‘De vier werelddelen’. Baron Haussmann, de prefect van Parijs die de stad het gezicht gaf dat we vandaag kennen, gaf Carpeaux in 1867 de opdracht een fontein te ontwerpen voor de Jardin de la Observatoire. Het was de derde grote opdracht die Carpeaux in zijn loopbaan zou verwerven. Vier vrouwenfiguren in een kring dragen een wereldbol. Carpeaux werkt eraan van 1867 tot 1870. De vier allegorieën dansen niet alleen in een kring, maar draaien ook om hun eigen as. Europa raakt nauwelijks de grond, Azië, met haar lange vlecht, is bijna van achteren te zien, Afrika is in driekwart-aanzicht afgebeeld en Amerika, met een verentooi op haar hoofd, kijkt de toeschouwer aan, maar haar lichaam is opzij gedraaid. Pas in 1874, een jaar voor Carpeaux' dood, werd de bronzen fontein op de beoogde plek geplaatst. De tentoongestelde beelden zijn in 1963 gevonden op een vuilstortplaats in Nantes. Het Musée d'Orsay kon ze verwerven in ruil voor een schilderij van Sisley voor het Musée des Beaux-Arts de Nantes.


Jean-Baptiste Carpeaux - De vier werelddelen 1867 - 1870




De fontein in de Jardin de la Observatoire

 

Jean Hugues (1849 - 1930)

Als beeldhouwer die binnen het gevestigde repertoire werkte, genoot Hugues, ervan, net als alle traditionele kunstenaars van zijn generatie, het menselijk lichaam te verkennen. ‘Oedipus in Colonus’, 1885, behoort tot dit genre, maar ook tot de grote onderwerpen uit de antieke geschiedenis. Het dient als voorwendsel voor anatomische verkenningen. Het extreme realisme van de torso mishaagde critici, die Hugues ervan beschuldigden meer waarde te hechten aan de waarheid dan aan stijl. Nadat het gipsen afgietsel op de Salon van 1882 was tentoongesteld, gaf de staat de kunstenaar de opdracht voor een marmeren versie voor nationale musea. Vanaf 1890 in het Luxemburgmuseum, verhuisde in 1931 naar het Louvre en sinds 1986 toegewezen aan het Musée d'Orsay.



 Jean Hugues - Oedipus in Colonus 1885



Details Oedipus in Colonus 



Louis-Ernest Barrias (1841-1905)

Hij werd in Parijs geboren in een kunstenaarsfamilie. Zijn vader was porseleinschilder en zijn oudere broer Félix-Joseph Barrias een bekend schilder. Louis-Ernest begon ook als schilder, maar later wijdde hij zich aan de beeldhouwkunst. In 1858 werd hij toegelaten tot de École nationale supérieure des Beaux-Arts in Parijs, waar François Jouffroy zijn leraar was . In 1865 won Barrias de Prix de Rome voor een studie aan de Franse Academie in Rome . Barrias was betrokken bij de decoratie van de Opéra de Paris en het Hôtel de la Païva aan de Champs-Élysées. Zijn werk was voornamelijk in marmer, in een romantisch-realistische stijl die beïnvloed was door Jean-Baptiste Carpeaux.



 Louis-Ernest Barrias 1889

Dit beeld werd in 1889 in opdracht gemaakt om de nieuwe Faculteit der Geneeskunde in Bordeaux te sieren. Een jonge vrouw, een allegorie van de Natuur, tilt langzaam de sluiers op die haar omhullen. Nadat hij de eerste versie in wit marmer voor de decoratie van het gebouw had voltooid, ontwierp Barrias een tweede, polychrome versie voor de grote trap van het Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs. Hiervoor gebruikte hij marmer en onyx uit steengroeven die in Algerije waren herontdekt. ​​De verschillende onderdelen, zorgvuldig gebeeldhouwd om het decoratieve potentieel van de materialen te versterken, spelen in op de nerven van de gestreepte onyx voor de sluier, het gevlekte rode marmer voor de jurk, de kostbaarheid van lapis lazuli voor de ogen en malachiet voor de scarabee, en koraal voor de mond en lippen. Het algehele effect is opvallend rijk. Het werk behoort tot een omvangrijke beweging van herontdekking van polychrome beeldhouwkunst, die werd ingeluid door archeologische vondsten en vijftig jaar eerder al werd geïllustreerd door Cordier. Gezien het succes van het werk werden er talloze edities geproduceerd. Het beeld ‘De natuur die zich openbaart’ werd aangekocht in 1899.

 

Frédéric Auguste Bartholdi (1834-1904)

Van 15 september 2026 tot en met 31 januari 2027; ter gelegenheid van de 250e verjaardag van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring, die in 2026 wordt gevierd, presenteert het Musée d'Orsay een tentoonstelling en een virtual reality-ervaring gewijd aan het werk van Auguste Bartholdi, een belangrijke figuur in de 19e-eeuwse Franse beeldhouwkunst en maker van iconische werken, waaronder het Vrijheidsbeeld. Het beeld, dat oorspronkelijk bedoeld was als een geschenk van Frankrijk aan de Verenigde Staten ter herdenking van het honderdjarig bestaan ​​van de Amerikaanse onafhankelijkheid in 1876, werd uiteindelijk tien jaar later, in 1886, onthuld. In de tussentijd moesten Bartholdi en zijn aanhangers blijk geven van verbeeldingskracht, durf en doorzettingsvermogen om het destijds grootste beeld ter wereld te ontwerpen, te promoten en te bouwen (46 meter hoog, 93 meter inclusief sokkel). Bartholdi koos voor een klassiek model, geïnspireerd op het neoclassicisme. De eenvoudige, sobere vorm bevat betekenisvolle symbolen: de brandende fakkel staat voor verlichting, de tablet voor de wet en de gebroken kettingen voor slavernij. De stralende kroon is geïnspireerd op het grafmonument van paus Clemens XIII in Rome, ontworpen door Canova. Het bronzen vrijheidsbeeld in de centrale hal is aangekocht in 1900.



Frédéric Auguste Bartholdi - La liberté éclairant le monde 1886

 

Charles Cordier (1827-1905)

Cordier heeft vermoedelijk het meest omvangrijke oeuvre op het gebied van de gekleurde plastiek van de 19e eeuw op zijn naam staan. Hij gebruikte uiteenlopende materialen als kleurige marmers en onyx die hij bewerkte met sierlijke details. Daarin beperkt hij zich tot de attributen en de kledingstukken op zijn portretbustes, de vleeskleur liet hij altijd monochroom zoals te zien hier bij deze twee Soedanese negers uit 1856 (officiële benaming Soedanese neger in Algerijns kostuum). Cordier vond zijn modellen op zijn vele reizen die hem bijvoorbeeld naar Algerije en Egypte voerden.



Charles Cordier Soedanese negers in Algerijns kostuum 1856
 

Eugène Guillaume (1822 - 1905)

Richting de uitgang stuitte ik op een marmeren beeld van Eugène Guillaume wat mij sterk deed denken aan een man die een selfie maakt, maar het is de dichter Anacréon, een werk dat Eugène Guillaume maakte tijdens zijn studieverblijf in Rome, dat in 1845 eindigde. Guillaume was een Franse beeldhouwer.  Hij studeerde aan de École des Beaux-Arts, waar hij in 1841 begon en waar hij in 1845 de Prix de Rome won. Later werd hij directeur van de École des Beaux-Arts in 1864 en directeur-generaal van de Schone Kunsten van 1878 tot 1879, toen het ambt werd opgeheven.



Eugène Guillaume - de dichter Anacréon

Het beeld, gehouwen uit wit marmer, stelt de Griekse dichter voor en is slank, met zijn arm boven zijn hoofd geheven, wat de lichtheid van zijn verzen symboliseert en tegelijkertijd hoe poëzie de mens kan verheffen. Het werk werd voor het eerst tentoongesteld op de Salon van Parijs in 1854. Het Musée d'Orsay kocht het beeld eerder, namelijk in 1852. 

Zo genoeg gezien. Dit prachtige gebouw is niet alleen een museum maar ook nog steeds een station. Hoewel het hoofdgebouw in 1986 een museum werd, zijn de spoorrails niet verdwenen: ze liggen nu ondergronds en maken deel uit van de RER C. Een discreet overblijfsel uit het spoorwegverleden dat voortleeft, terwijl boven, in de majestueuze 32 meter hoge hal, de imposante klok nog steeds de tijd aangeeft, net zoals meer dan een eeuw geleden voor reizigers die naar het zuidwesten van Frankrijk vertrokken. 

De monumentale beelden van de zes continenten, evenals die van de olifant, het paard en de neushoorn, die sinds 1986 bezoekers van het Musée d'Orsay verwelkomden, werden december 2024 discreet verwijderd van de esplanade Valéry Giscard d'Estaing. Deze verwijdering is tijdelijk! Het is ter voorbereiding op renovaties die de toegankelijkheid van het museum moeten verbeteren en die in maart 2025 van start zijn gegaan. Tijdens hun afwezigheid zullen deze iconische sculpturen worden gerestaureerd.



De zes continenten
 

Het Musée d'Orsay trekt  tussen de drie en vier miljoen bezoekers per jaar. In 2024 waren dat er 3,87 miljoen en is daarom samen met het Louvre een van de drukst bezochte musea in Parijs, Het staat wereldwijd bekend om de grootste verzameling impressionistische en post-impressionistische kunst. Het wordt daarom sterk aanbevolen om tickets vooraf online te reserveren om zo wachttijden te vermijden. 

Musée d'Orsay, Esplanade Valéry Giscard d'Estaing, 7e arrondissement, metrostation soferino, lijn 12 – RER-C Station Musée d’Orsay.

Toegang online € 16 in het museum € 14 

Bronnen: Wikipedia, Musée d’Orsay, Kunst en Architectuur – Peter J. Gärtner