Paris FvdV is een niet commercieel weblog speciaal voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

Privacy verklaring: Indien u weblog Paris FvdV, dat bij Google-Blogger is ondergebracht, leest en reageert op de blogs van Paris FvdV, doet u dat vrijwillig en is uw IP-adres en mailadres - indien u dat vermeld - bekend en wordt opgeslagen. Ook uw schuilnaam waaronder uw reageert wordt opgeslagen. Paris FvdV zal uw gegevens nooit aan derden doorgeven. We houden uw gegevens privé, tenzij de wet of rechtelijke macht ons dwingt uw gegevens aan hen te verstrekken. Datalekken in het systeem vallen onder de verantwoordelijkheid van Google-Blogger. Door weblog Paris FvdV te bezoeken en/of de op of via deze weblog aangeboden informatie te gebruiken, verklaart u zich akkoord met de toepasselijkheid van deze disclaimer. Google gebruikt cookies om services te leveren en verkeer te analyseren dus uw IP-adres en user-agent zijn bij Google bekend, samen met prestatie- en beveiligingsstatistieken om servicekwaliteit te garanderen, gebruiksstatistieken te genereren, misbruik te detecteren en maatregelen te treffen.

woensdag 5 oktober 2022

5 TOT 9 OKTOBER 2022 WIJNFEESTEN IN PARIJS

Van woensdag 05 oktober  t/m zondag 9 oktober aanstaande vindt op Montmartre al weer de 88e editie plaats van het traditionele Fète des Vendanges. Dit jaar viert het wijnoogstfeest het feest van gelijkheid en verlenen alle wijken in het 18e arrondissement hun medewerking, maar ook scholen, recreatiecentra, theaters, vele verenigingen, handwerkslieden en lokale winkels, wat uitmondt in een rijk en gevarieerd programma. Al sinds 1934 beleeft Montmartre in oktober, de wijnmaand,  de vijf gelukkigste dagen van het jaar. Het is het derde druk bezochte evenement in Parijs na de Nuit Blanches en de Paris Plages. Vijf dagen lang tentoonstellingen, live shows, muziek, optochten, rondleidingen, modeshows en zelfs een nachtrace, maar vooral proeven, proeven en nog eens proeven.




Het traditionele Wijnoogstfeest opent in het hart van Montmartre op de Clos de Montmartre, de wijngaard, op de hoek van de rue des Saules en de rue Vincent. Natuurlijk is het de eer aan Alain Coquard, al sinds 5 mei 2012 President van de Republiek Montmartre, om de wijnfeesten te openen in aanwezigheid van Eric Lejoindre, Burgemeester van het  18e arrondissement, Éric Sureau de president van het COFAS - Comité des Fêtes et d'Actions Sociales - en Gilles Guillet, Grootmeester van het broederschap van Clos Montmartre en de Vrije Gemeente van het Oude Montmartre.


Alain Coquard, al sinds 5 mei 2012 President van de Republiek Montmartre 

Bernard Beaufrère is de huidige Garde Champêtre

 

Dat van die republiek vraagt even om een nadere toelichting. Montmartre is net als Passy, Belleville en la Butte-aux-Cailles een van de meest karakteristieke wijken van Parijs en zal nooit helemaal van Parijs worden. En dat heeft sterk te maken met het verleden. De eerste burgemeester van het zelfstandige Montmartre was Jacques-Félix Desportes, zoon van een rijke Franse koopman. Hij werd gekozen tot burgemeester van Montmartre op 22 mei 1790 en zetelde in het dorpsraadhuis op de eerste verdieping van de oude pastorie op Place du Tertre nr. 3. Het dorp telde toen slechts 400 inwoners. Montmartre was een klein zelfstandig dorp in het departement van de Seine en werd 1 januari 1860 geannexeerd door het grote Parijs. Het grootste deel van het grondgebied is sinds die tijd het 18e arrondissement van de hoofdstad.


Vijf dagen lang tentoonstellingen, live shows, muziek, optochten, rondleidingen, modeshows en zelfs een nachtrace, maar vooral proeven, proeven en nog eens proeven

 

Op 11 Mei 1921 richtte  Jules Depaquit de l'Ètat Montmartrois (de republiek Montmartre) op. Ontstaan uit een vriendenclub van voornamelijk kunstenaars, met inbegrip van de beroemde striptekenaar Poulbot, die later zijn naam gaf aan de kinderen (les Poulbots) van Parijs. De eerste wet van het vrije Montmartre  was de scheiding van Montmartre en de staat. In 1921 vestigde la Commune Libre de Montmartre zich op Place du Tertre. Hier werden de eerste verkiezingen gehouden waar men onder andere kon kiezen uit de  ‘Liste cubiste’ van Picasso en Max Jacob of nog beter voor de Dadaïstes van Tzara, Breton en Picabia.

 

Vanaf vrijdag 8 oktober, drie dagen lang genieten van het Parcours du Goût

 

In 1934 nam de nieuwe burgemeester, Pierre Labric, het initiatief  voor de wijnfeesten (Fète des Vendanges) elk jaar in oktober en in 1950 is het Syndicat d'Initiative du Vieux Montmartre opgericht met de wijlen Anatole als Garde Champêtre de la Commune Libre. Anatole is overleden op 7 januari 1998 na 48 jaar in functie te zijn geweest. Bernard Beaufrère is de huidige nog in leven zijnde Garde Champêtre. Tegenwoordig zetelt La Commune Libre du Vieux Montmartre in de rue Mont Cenis.



De kinderen van het 18e arrondissement spelen een belangrijke hoofdrol in alle festiviteiten

Een kleine Gavroche zo weggelopen uit Les Misérables



Wat je absoluut niet mag missen de optocht door de straten van het oude Montmartre van alle wijn broederschappen uit geheel Frankrijk begeleid door diverse muziekkorpsen

 

 Spektakel en nog eens spektakel 'Le Grand Défilé'

 


Maar wat je absoluut niet mag missen is op zaterdag 9 oktober Le Grand Défilé en Le Ban des Vendanges. Een optocht door de straten van het oude Montmartre van alle wijn broederschappen uit geheel Frankrijk begeleid door diverse muziekkorpsen. Start om 11.30 uur vanaf de wijngaard van Montmartre. Voor mij samen met het oneindig proeven een van de hoogtepunten van de Fète des Vendanges. Dit jaar verwachten ze 500.000 mensen in de straten van Montmartre tijdens de vijf dagen van de wijnfeesten.

 

De huwelijkse staat is als wijn: men kan er slechts goed over oordelen na het tweede glas. Douglas Jerrold, journalist

 

Ook in het voorjaar, zo rond eind april, is er een wijnfeest in het 18e arrondissement waar Montmartre onder ressorteert. In de wijnkelder van het stadhuis ligt de gehele wijnoogst van Clos Montmartre, zo'n 300 tot 500 flessen. De wijnflessen worden per 6 stuks verpakt in een houten kistje, waarvan de bovenkant wordt beschilderd door een Montmartriaans kunstenaar. De kostbare kistjes worden dan per opbod verkocht en de opbrengst is bestemd voor goede doelen.


Het leven zorgt dat er zorgen zijn: zorgen doorbreken doet de wijn – Goethe


Wijnbouw is voor bijna twintig eeuwen een overheersende economische activiteit in het Île-de-France. Sinds de Middeleeuwen tot diep in de 18de eeuw werd de Parijse wijn gezien als een kwaliteitsproduct. De wijn was van een zo'n hoge kwaliteit dat hij werd geserveerd aan het Hof van Frankrijk. Rond 1700 had elke wijk in Parijs zijn eigen wijngaard. Diverse ziektes, waaronder druifluis in het midden van de 19e eeuw, decimeerde de wijnproductie van 42.000 hectare tot 10.000 hectare aan het begin van de 20e eeuw. Restanten van de wijnproductie zijn nog te vinden in de wijken Belleville, Charonne en Ménilmontant. Zij dragen nog steeds de sporen van hun landelijk verleden, van de arbeiders die werkten in de gipsgroeven en de wijngaarden van de Parijse kloosters. In de guinguettes, de cafés en 'bals musettes'. Hier debuteerden Maurice Chevalier, Yves Montand en Edith Piaf op straat en in de verschillende café-chantants. Vele straatnamen herinneren nog aan de grote hoeveelheid waterbronnen en aan het rijke wijnbouwverleden: Rue des Cascades (waterval), rue de la Duée (kleine bron), rue des Rigoles (slootjes) en rue des Vignoles (wijngaard).



 Rond 1700 had elke wijk in Parijs zijn eigen wijngaard

 

Vroeger was Montmartre een echt wijndorp met meerdere wijngaarden. Waar nu de Place Pierre ligt strekte zich een wijngaard uit. Dat was ook het geval tussen de rue Tardieu en de rue d'Orsel, op de place Jean-Baptiste Clément en rondom het Château des Brouillards. De genadeslag werd gegeven door de exploitatie van kalkgroeven in de hellingen van Montmartre. Over de oudste wijngaard van Parijs; de Clos de Montmartre; doen verschillende verhalen de ronde. Volgens de romantici onder ons werd de wijngaard al in de Gallo-Romeinse tijd aangeplant. De realisten echter vertellen een heel ander verhaal: In 1932 besloot de stad Parijs om door zijn’Service de Jardins’, op de hoek van rue des Saules en de rue Saint Vincent, een wijngaard te laten aanplanten.

 


Wijn drinkt de gemiddelde Fransman nog steeds het liefst uit eigen land. Dat is gewoon de beste volgens de Fransman en dan ook nog eens uit een fles met een kurk en niet uit een fles met een schroefdop. De stad is dan ook bezaaid met knusse wijnbarren. Een lijst van de top 10 wijnbars in Parijs kun je vinden in mijn reisgids ‘Ongekend Parijs. Klik hier voor meer informatie en verkoopadressen. 160 pagina’s, honderden kleurenfoto’s, € 22,50

 

De wijngaard van Montmartre: 'Clos de Montmartre'


Nog even een andere wetenswaardigheid: Wist je trouwens dat, weliswaar ongebruikelijk, je je eigen wijn kunt meenemen naar een restaurant. Als je het doet dan wordt er wel een bedrag gerekend als gedeeltelijke compensatie voor het feit dat je niet van de wijnkaart bestelt. Verder is er een verschil in prijs bij een wijnbar, tussen een fles die je meeneemt naar huis en een fles die je daar ter plekke opent. Je betaalt dan kurkengeld; ‘Droit de bouchon.’



Wijn is onder de dranken de nuttigste, onder de medicijnen de lekkerste, en onder de voedingsmiddelen de aangenaamste. Deze wijsheid is niet van mij maar van de Griekse filosoof Plutarchus (46 – 120 n.C). Santé. 


donderdag 22 september 2022

EEN BEZOEK AAN DE INGEWANDEN VAN PARIJS

In 1862 publiceerde Victor Hugo de roman Les Misérables, waarvoor het idee zo’n 30 jaar eerder ontstond. Het zijn de Parijse opstanden van 5 en 6 juni 1832 die centraal staan in het laatste deel van wat Hugo zelf beschreef als bovenal een religieus boek. Hierin redt de voormalige gevangene Jean Valjean het leven van de student Marius Pontmercy die in een vuurgevecht op de barricaden getroffen wordt door een verdwaalde kogel en het bewustzijn verliest. Jean Valjean aarzelt niet, tilt de gewonde jongeman op zijn schouders en samen ontsnappen ze aan een gewisse dood door af te dalen in de Parijse riolering waar het lawaai van de straat al gauw verbleekt bij de stank van de gigantische beerput. ‘Een wereld van uitwerpsels waaraan alleen de menschelijke gedaante ontbreekt’


 

Een bezoek aan de riolen van Parijs is een duik nemen in de ingewanden van de stad en de verborgen kant ervan verkennen. Het is ook een manier om de geschiedenis van dit netwerk te ontdekken, dat nauw verbonden is met de evolutie en de architectuur van de straten van de hoofdstad. Een duik in de Parijse onderbuik is geen alledaags uitstapje maar al geliefd sinds de wereldtentoonstelling in 1867, toen het Parijse rioolmuseum nog niet eens bestond. Het Musée des Égouts de Paris is meer dan drie jaar gesloten geweest voor een ingrijpende renovatie en het opende zijn deuren op 23 oktober 2021. Met een geschiedenis van meer dan 150 jaar is het een mysterieus en ongewoon museum dat een ongekende comeback maakt in het centrum van de stad. Een modern gebouw op de Seinekade, vlakbij de Pont d’Alma in het 7e arrondissement, verwelkomt nu haar bezoekers voordat ze afdalen in de riolen voor een bezoek aan de stad onder een stad.



De nieuwe entree van het Musée des Égouts de Paris vlakbij de Pont d'Alma
 

Dit Parijse erfgoed vol geschiedenis weerspiegelt de boeiende fascinatie van de bovenwereld met de ondergrondse stad beneden. Ze is hèt vlaggenschip van het industriële erfgoed van Frankrijk omdat ze een belangrijke rol speelt in de hygiënische sanering van de hoofdstad. Bovendien een onuitputtelijke inspiratiebron voor kunstenaars, schilders, en schrijvers die helden en schurken stuurden door de goten van dit eindeloze ondergrondse netwerk Zoals Victor Hugo in Les Misérables, Gaston Leroux met Le Fantôme de l'Opéra, Umberto Ecco met de slinger van Foucault. Maar ook van filmregisseurs met La Grande Vadrouille van Gérard Oury met Louis de Funès en Bourvil, Le Trou (1960) van Jacques Becker, Baisers volés (1968) van François Truffaut. Recenter; Ratatouille (2007, waar de rat Rémy in de riolen terechtkomt en meegesleurd wordt door de stroming van de Bièvre en Rush Hour 3 uit 2007. Last but not least videogames zoals Tomb Raider (2003) en Assassin’s Creed (2014).

 


Tijdens het bezoek daal je af tot zo’n vier meter onder straatniveau en bezoek je 500 meter aan werkende galerijen

Het gerenoveerde museum geeft een prachtig overzicht van het sanitaire systeem van Parijs vanaf de Romeinse periode tot de 21e eeuw waarbij moderne multimedia, in het Frans en in het Engels, wordt gecombineerd met historische items. Bovendien is het museum onderdeel van het werkende riool. Tijdens het bezoek daal je af tot zo’n vier meter onder straatniveau en bezoek je 500 meter aan werkende galerijen terwijl onder de roosters het afvalwater van Parijs stroomt. Een rioolgeur is dan ook  prominent aanwezig. Maar ik kan je vertellen dat een bezoek aan dit museum een echte meeslepende realistische ervaring is. Je stapt nooit meer over een putdeksel zoals voorheen.

 


Het gerenoveerde museum geeft een prachtig overzicht van het sanitaire systeem van Parijs vanaf de Romeinse periode tot de 21e eeuw


Geschiedenis

Op de plek waar nu Parijs ligt, stond ooit een Romeinse enclave met de stadsnaam Lutèce. De eerste riolen die tijdens die Romeinse periode in Lutèce werden aangelegd zijn verdwenen en al lang vergeten. Romeinen waren eerste klas ingenieurs en wisten hoe belangrijk afvoeren en rioleringen waren om afval en rioolwater te verwijderen. Het was onder de huidige boulevard Saint-Michel dat de Romeinen de eerste Parijse riolen aanlegden. Overblijfselen werden ontdekt onder de thermale baden van Cluny, tijdens het boren onder de boulevard Saint-Michel in de jaren 1850. Van de Romeinen is bekend dat zij een zeer hoogstaande sanitaire cultuur hadden opgebouwd, iets wat we van de Parijzenaar in de middeleeuwen niet kunnen zeggen. Zij hadden toen een stelregel voor het omgaan met vuilnis. ‘Tout à la rue’, gooi alles maar op straat; van huishoudelijk afval, urine, ontlasting tot zelfs foetussen toe. De talrijke loslopende varkens en honden vraten veel van het afval dankbaar op. Zeker als iemand zijn behoefte op de keien deed, waren ze er als de kippen bij. Maar ook de onzichtbare micro-organismen deden hun best, met als gevolg een ondragelijke stank in de straten.

 

Momenteel strekt het netwerk van riolen zich uit over meer dan 2442 kilometer


In de dertiende eeuw maakte Philippe Auguste een begin met de aanleg van openbare werken zoals de massabegraafplaats voor de armen; het ‘Cimetière des Innocents’. Tevens liet hij ook een executieplaats ten noorden van Parijs inrichten, de koninklijke galgen van Montfaucon, die tevens dienst deed als één grote vuilstortplaats. Duizenden mensen werden er opgehangen, al dan niet na foltering. De lijken bleven net zolang hangen tot de beenderen er vanzelf afvielen. De overblijfselen werden dan samen met huisafval, ontlasting en puin in een geul gedumpt. De afschuwelijke geur die van dit ‘epicentrum’ van stank afkwam, was bedoeld om de Parijzenaars af te schrikken. De situatie werd nog eens verergerd door de afvoer van al dat afval in de Seine. Inmiddels stapelde het vuil in de straten van Parijs zich steeds hoger op. Sommige buurten raakten vrijwel ontoegankelijk. Omdat de toestand echt onleefbaar dreigde te worden, vaardigde Filips VI van Valois in 1348 de verordening uit dat iedere burger op straffe van gevangenis het vuil voor zijn eigen huis moest opruimen.

 


Het museum is onderdeel van het werkende riool

Naarmate de bevolking groeide, probeerden de autoriteiten in Parijs het afvalprobleem aan te pakken met beerputten. Men deed ook een poging om al het afval uit de stad op te halen en buiten de stad te deponeren. Veel mensen konden of wilden echter niet voor deze dienst betalen. Het was zoveel gemakkelijker om de kamerpot via het raam te ledigen. Ook werkten de beerputten nauwelijks. Ze vervuilden de grond en de kuilen waren moeilijk schoon te maken. In 1370 maakte Hughes Aubriot, provoost onder Karel V, het eerste overdekte stenen riool in Montmartre. Het was de eerste gesloten afvoer in Parijs. De inhoud daarvan kwam terecht in de Seine, bij het Louvre. De andere beerputten waren niets meer dan geulen in het midden van de straten die verschrikkelijk stonken en vaak overliepen. Na de aanleg van het eerste riool in 1370 heeft de Franse overheid voortdurend riolen toegevoegd, vergroot, gerepareerd en gemoderniseerd. Je zou kunnen spreken van een eeuwig ‘work in progress’.


Eugène Belgrand
 

Pas in 1855 kreeg Parijs een coherent systeem voor zowel de drinkwatervoorziening als de afvoer van afvalwater, naar een ontwerp van de Franse ingenieur Eugène Belgrand, die ook wel de grondlegger van het huidige rioleringssysteem wordt genoemd. Van hem kwam ook het idee om een grote buis vanuit de Rive Droite aan te leggen, naar de dorpjes Annières en Gennevilliers, om zo de alsmaar vervuilende Seine te ontzien. Vanaf 1895 werden de afvoeren uitgebreid tot Achères. Het afvalwater werd weer hergebruikt als irrigatie van de landbouw-gronden in de voorsteden. Al snel bleken de vloeivelden te klein om het totale aanbod van afvalwater aan te kunnen, vandaar dat men in 1910 in Yvelines een zuiveringsinstallatie bouwde, maar later zijn ook andere stations geïnstalleerd op andere sites: Valenton, Noisy-le-Grand in Seine-Saint-Denis en Colombes in de Hauts- de Seine. die tot op de dag van vandaag zorgdragen voor de afvoer van de ingewanden van Parijs.  

Momenteel strekt het netwerk van riolen zich uit over meer dan 2442 kilometer, het grootste netwerk van de wereld met bijna 20.000 mangaten. Elke straat heeft zijn eigen riool. Straten breder dan twintig meter hebben er zelfs twee. Parijs kent ook nog ruim 63.000 'privé-riolen'. De hoogte van de rioolbuizen variëren van 5 meter (hoofdriool) tot  3,8 meter en 2,6 meter (basisriool). Fraaie porseleinen bordjes geven de naam van het riool aan, die overigens overeenkomen met de naam van de straat, boulevard, avenue of plein waaronder het riool loopt. Dagelijks stroomt er 300 miljoen kubieke meter aan afval- en regenwater door dit bijzondere buizensysteem. Bovendien wordt het water naar elektriciteitscentrales geleid waar het wordt behandeld en gereinigd. De riolen huisvesten ook andere netwerken: drinkwater, niet-drinkwater en telecommunicatiekabels en zelfs glasvezel sinds meerdere jaren!  Alleen gasleidingen, elektrische kabels en verwarmingsleidingen zijn om veiligheidsredenen niet toegestaan. Het is een stad onder een stad met trottoirs, bruggen, kanalen en kades waarover de égoutiers zich verplaatsen. In Parijs werken zo'n 900 égoutiers, het corps dat toezicht houdt op de riolen.  Zo'n 320 zijn er in dienst bij de gemeente Parijs, de overigen werken in de privé sector. Geen ongevaarlijk werk, vanwege infectierisico's van open wondjes of rattenbeten, gezien de grote kolonie ratten die in de riolen huist. Men schat dat er op elke Parijzenaar (rond de 2,2 miljoen) een tot drie ratten beneden wonen. Een rekensom is nu snel gemaakt. Gemiddeld brengt een égoutier 22 jaar van zijn werkzame leven door onder de grond. Ze gaan dan ook rond hun 52e met pensioen.



Voorbeelden van de verschillende riolen onder Parijs


Werking van de systemen bij afvoer van regenwater en vervuild water


Fraaie porseleinen bordjes geven de naam van het riool aan, die overigens overeenkomen met de naam van de straat, boulevard, avenue of plein waaronder het riool loopt

 

De riolen zelf stromen niet meer naar Parijs maar stroomafwaarts, naar Clichy . Om dit te bereiken, ontmoeten de netwerken van de linkeroever elkaar bij de Pont de l'Alma , waar ze via een sifon onder de Seine door gaan. 10 Pompstations waarvan 7 permanent aan het werk zijn en drie uitsluitend actief in geval van overstromingen door hevige regenval. Overigens werkt het overgrote deel van het netwerk grotendeels zonder de hulp van pompen, simpelweg dankzij de zwaartekracht. De ingenieur Belgrand zorgde ervoor dat alle rioolpijpen met een helling van 3% naar het noordwesten aflopen. Bij die helling zorgt de zwaartekracht voor het transport zonder dat de onderhoudsploegen erin uitglijden. In de 20e eeuw is het stelsel twee keer zo groot geworden. De riolen vormen een spiegelbeeld van de stad. In welk opzicht? Elk riool draagt de naam van de straat die het volgt en het nummer van het gebouw erboven.



 Tijdens je bezoek aan het museum zie je de égoutiers gewoon aan het werk


Terwijl onder de roosters het afvalwater van Parijs stroomt is een rioolgeur ook  prominent aanwezig

De helft van het drinkwater dat in Parijs wordt verbruikt, wordt uit de Seine en Marne gehaald en de andere helft uit natuurlijke bronnen. Deze liggen op meer dan 150 km van de hoofdstad. Na transport en behandeling wordt het water opgeslagen in 5 ondergrondse reservoirs . Er vindt gemiddeld 10 keer controle plaats tussen de bron en de kraan. De kwaliteit ervan wordt als uitstekend beschouwd. Hoewel het waterverbruik sinds de jaren 1990 in de regio Parijs is afgenomen, blijft het een kostbaar goed dat moet worden beschermd door passende onttrekkingen en de versterking van de strijd tegen lekkages. Wist je dat het drinkwater van Parijs een van de zuiverste is? Het zou zelfs een van de beste ter wereld zijn! Dat leren we tenminste in de zeer populaire Netflix docu-serie genaamd ‘Down to Earth’ (in Frankrijk ‘Les Pieds sur Terre’) met Zac Efron en co-host Darin Olien. Darin is de auteur van de New York Times bestseller ‘Superlife’. De vijf oplossingen die je gezond, fit en eeuwig vitaal zullen houden. Zac Efron, neem ik aan, behoeft geen introductie. Kwaliteit van drinkwater is sowieso belangrijk aangezien de mens voor zo’n 65% uit water bestaat. We kunnen drie dagen zonder eten maar niet drie dagen zonder water.

 

Een wel zeer realistisch beeld bij het zien van alle menselijke uitwerpselen en afval die ook  onderdeel zijn van het museumbezoek


Overigens is het vandaag de dag nog steeds erg droevig gesteld met de sanitaire mentaliteit van de Parijse bevolking, misschien wel van alle  Fransen,  gezien de deplorabele staat van de toiletten in de vele restaurants.


Ik kan je vertellen dat een bezoek aan dit museum een echte meeslepende realistische ervaring is. Je stapt nooit meer over een putdeksel zoals voorheen


Ik kom aan het einde van mijn bezoek aan dit bijzondere museum en verheug mij op een ademteug gewone Parijse lucht. 

Musée des égouts, Pont de l’Alma tegenover Quai d'Orsay nummer 93, 7e arrondissement, Métro: Alma-Marceau, lijn 9 ; La Tour-Maubourg, lijn 8 - RER: Pont de l’Alma, RER C

Geopend van dinsdag t/m zondag van 10.00 tot 17.00 uur (laatste toegang 16.00 uur)

Toegangsprijs € 9, senioren € 7 

Met dank aan Ir W.J. Eradus.



maandag 12 september 2022

MUSÉE NISSIM DE CAMONDO PARIJS: DE GLORIE EN DE TRAGEDIE

Aan het eind van de dure stadslaan, avenue Ruysdaël, in het achtste arrondissement, wacht een indrukwekkend hekwerk waarachter zich het Parc Monceau bevindt. Neem de rue Monceau, een weinig indrukwekkende straat, op het eerste gezicht onooglijk, maar schijn bedriegt. Hier woonde aan het begin van de twintigste eeuw een ongekende melange van adel, joodse aristocratie, protestantse high society, industriële- en bancaire bourgeoisie en religieuze congregaties; aldus Pierre Assouline in zijn boek 'Le dernier des Camondo,' over de bewoners van nummer 63. Ook dat nummer dringt zich niet op, met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo. Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette.



Rue Monceau, nummer 63, ook dat nummer dringt zich niet op met zijn bescheiden opschrift Musée Nissim de Camondo

In 1910 liet de puissant rijke bankierszoon Moïse de Camondo het huis op nummer 63, dat zijn vader hem had nagelaten, slopen om zijn toen al indrukwekkende kunstcollectie een passende omgeving te bieden. Het werd een meesterstukje van klassieke architectuur, waarin de complete collectie nog altijd te zien is, onveranderd, zoals Moïse de Camondo haar in 1935 aan de Franse Staat vermaakte. 

Behalve rijk en kunstverzamelaar, was Moïse de Camondo ook van Sefardisch Joodse afkomst, geboren in Turkije. Voor hun komst naar Parijs had de familie Camondo al een woelige geschiedenis achter de rug. Het geslacht stamde uit Spanje, vanwaar het in 1592, zoals alle joden, door Philips II waren verbannen. Na omzwervingen waren de Camondo's in Constantinopel terechtgekomen, waar ze zich ontpopten tot de bankiers van de Ottomaanse pasja's. Zo werd de Turkse bijdrage aan de Krimoorlog door de Camondo's gefinancierd. Ze werden er schat hemeltje rijk van. Maar ook buiten Constantinopel had de naam van de bank 'Camondo et Cie' een overbekende klank. De 'Rothschilds van het Oosten' werden ze genoemd.

 

Pas als je de binnenplaats opkomt achter de poort sta je oog in oog met een elegant stadspaleis geïnspireerd op het Petit Trianon van Koningin Marie Antoinette


De grondvester was in de jaren vijftig van de negentiende eeuw zo belangrijk, dat hij met z'n gezin naar Wenen kwam om het huwelijk van keizer Frans Jozef bij te wonen. Een decennium later financierde hij de Italiaanse eenwording. Uit dank kreeg de hele familie de Italiaanse nationaliteit en werd ze in de adelstand verheven door Koning Victor Emmanuel II, die erfelijke graven van de Camondo's maakte. Toen omstreeks dezelfde tijd in Constantinopel, het vroegeer Istanbul, weer eens een voor joden ongunstige wind opstak, besloten de twee zoons, Abraham Behor en Nissim, naar Parijs te verhuizen. Abraham en Nissim kozen voor een van de meest exclusieve wijken in de hoofdstad, het gebied rond Parc Monceau. De broers vestigden zich naast elkaar aan het park, destijds de nieuwe aanleg van de stad, ontstaan op de tekentafel van baron Haussmann. De broers bewogen zich meteen in de maatschappelijke top. Hun herkomst verraadden ze alleen wanneer ze op zwoele avonden met een fez op in de tuin zaten.

 

De begane grond laat zien wat de Moïse Camondo met 'Grandeur' bedoelde


De collectioneurs in de familie de Camondo waren echter niet de broers Arbraham Behor en Nissim maar hun respectievelijke zonen Isaac (1851-1911) en Moïse (Mozes - 1860-1935). Isaac bijvoorbeeld, liet na zijn dood in 1911, zijn gehele moderne kunstcollecties, waaronder veertien kunstwerken van Monet, Cezanne en Degas, na aan het Louvre (De werken verhuisden later naar het Musée d'Orsay).

Een doorkijkje naar de 'huiskamer.' De panelen uitgevoerd in wit eiken waren afkomstig uit de 'Salon de Compagnie' uit het woonhuis van  de Graaf van Menou aan de Rue Royale (1782-1785)


De periode rond de eeuwwisseling was voor kunstverzamelaars een gouden tijd. Parijs was toen de belangrijkste kunstmarkt ter wereld doordat veel kastelen van de oude adel van vóór de revolutie tegen de vlakte gingen en de markt werd overstroomd met complete inboedels. Moïse liet zich adviseren door curatoren van het Louvre en het Musée des Arts Décoratif en kwam zo in contact met grote antiquairs. Zo bleef hij zijn collectie verrijken tot het einde van zijn leven. Steeds verkocht hij stukken om weer betere stukken aan te kunnen kopen. 

Om zijn kunstverzameling beter tot haar recht te laten komen, beslist hij in 1910 zijn woning aan het Parc Monceau helemaal neer te halen en opnieuw op te bouwen, op een dusdanige manier dat de kunstwerken er een vaste plaats krijgen. Alle tapijten, schouwen, deuren enz. die hij in de loop der jaren verzameld heeft, worden in de tekeningen van de architect, René Sergent verwerkt. Het wordt een huis uit begin 20e eeuw, maar met de uitstraling van een klein kasteeltje. Ideaal om zijn 18-eeuwse decoratieve schatten te presenteren. Een moderne receptie-fabriek, gericht op grote ontvangsten voorzien van alle luxe en comfort uit die tijd, waaronder verwarming en badkamers. 

In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912. Erachter wacht een 'rotissoir' met een ingenieus draaimechaniek dat in werking wordt gesteld door de rook van het kolenfornuis. Heel ongebruikelijk in die tijd, maar de helft van het huis bestaat uit dienstvertrekken. Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Bij de Camondo's kwam iedereen. Maar voor Moïse betekende dat door zijn verzameling te worden geaccepteerd door de geboren aristocratie.

 

Le 'Salon des Huet'


Hoewel succesvol in zaken was hij minder gelukkig in zijn privé leven. In een alliantie van twee krachtige bankiersfamilies trouwt  de enigszins stugge Moïse in 1891 met Irène Cahen d'Anvers, Amper 19 jaar oud, maar eveneens afkomstig uit een rijke joodse bankiersfamilie. Irène was zelfs als kind door Renoir geschilderd, met krullend lang bruin haar dat over haar rug valt en gewikkeld rond haar schouder een bonte cape. Het huwelijk vindt plaats in de 'Grande Synagogue de Paris' aan de Rue de la Victoire. Vijf jaar en twee kinderen later wordt ze verliefd op een Italiaanse graaf; Charles Sampieri. In de scheiding krijgt Moïse voogdij over de twee kinderen: Nissim de zoon, vernoemd naar zijn grootvader en dochter Béatrice.

 

De badkamer van Moïse de Camondo


Zoon Nissim groeit ondertussen op tot een elegante jongeman, met toekomstperspectieven waar de andere jongens van die leeftijd alleen maar van kunnen dromen. Maar het noodlot slaat toe. Wereldoorlog I breekt uit. Nissim trekt naar het front, eerst als soldaat, daarna kiest hij voor de meer heroïsche luchtmacht en wordt vliegenier. In september 1917 wordt zijn vliegtuig geraakt bij een luchtgevecht. Nissim kan nog net landen, maar overlijdt enkele dagen later aan de opgelopen verwondingen.



In de keuken staat een enorm zwart kookeiland van gietijzer met een ingegoten fabricagedatum: 1912


Vader Moïse is ontroostbaar en schrijft twee jaar later in een brief over 'de catastrofe die zijn leven vernietigd heeft'. Hij liquideert al zijn bankbelangen en trekt zich terug uit het openbare leven. Het huis, dat van nok tot kelder was gebouwd om te ontvangen, zou geen sterveling meer zien. De bewoner wilde er alleen blijven, getroost door 'de decoratieve kunst uit de periode die ik meer dan alle andere liefheb,' zoals Moïse in zijn testament schreef.


Het huis, sinds de dood van Moïse Camondo in 1935 onveranderd, lijkt opdat de bewoner elk moment kan terugkeren


Wanneer enkele jaren later dochter Béatrice het ouderlijk huis verlaat om te trouwen met Léon Reinach, zoon van eveneens een Joodse familie, blijft Moïse alleen achter. Hij bepaalt dat zijn woning met alle kunstwerken na zijn dood als museum naar de Franse Staat moet gaan, ter nagedachtenis van zijn zoon. In 1935 overlijdt Moïse en gaat de woning overeenkomstig de beschikking over naar de Staat en wordt museum: Het museum Nissim de Camondo. 

In principe zou het verhaal over het ontstaan van dit museum hier eindigen. Maar de tegenslagen die het geslacht Camondo zal kennen, zijn kennelijk niet ten einde. Dochter Béatrice en Léon Reinach krijgen twee kinderen, Fanny en Bertrand. Wanneer de 2e Wereldoorlog uitbreekt, wordt het hele gezin Reinach-Camondo opgepakt en gedeporteerd naar Auschwitz. Geen van hen zal de oorlog overleven. Het betekende het einde van de familie de Camondo. Op de joodse afdeling van de begraafplaats van Montmartre staat een bescheiden gedenkteken, 'Famille Camondo.'

 

Voor wie hier rondloopt roept het een gevoel op van Downton Abbey.' Alles in dienst van het 'recevoir', de belangrijkste bezigheid van de adel en haute bourgeoisie


Met de kunst- en meubelcollectie van de familie liep het beter af. In 1940 werden de werken naar het château de Valencay overgebracht, waar ook een deel van de collectie van het Louvre zich tijdelijk bevond. Hier doorstonden de stukken de oorlog. Na de tweede wereldoorlog werd het museum heropend en vertelt over het leven en de tijden van de familie de Camondo, bankiers, filantropen, verzamelaars en joden. In het museum, dat wordt geëxploiteerd door de Franse staat, is er nauwelijks aandacht voor het verschrikkelijke verhaal. Slechts een marmeren plaquette onder de poort verraadt iets meer van het familiedrama dat zich op dit adres voltrok.



 De dienstingang met het kantoortje van de hoofd butler


Wat gebeurde er met het portret van Irène?

Wanneer Irène trouwt met Moïse, verhuist het schilderij met haar mee naar haar nieuwe woning. Maar na de scheiding keert het schilderij opnieuw naar het ouderlijk huis. In 1910 schenkt de moeder van Irène, gravin Cahen d’Anvers het schilderij aan haar kleindochter Béatrice, dochter van Irène. Niet omdat het om een Renoir ging, maar als aandenken aan de moeder die ze zo gemist had.



 Het portret van Irène Cahen d'Anvers geschilderd door Renoir

Verschillende decennia later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, is de waarde van het schilderij ondertussen wel doorgedrongen tot de familie Camondo en Cahen, en ook ver daarbuiten. Het schilderij raakt in handen van Goering, die het  afstaat aan een zekere Georg Bührle, rijk Zwitsers industrieel van Duitse origine, leverancier van zwaar legermateriaal aan de Wermacht en belangrijk koper van kunst.

 

De trap die toegang biedt tot de privé vertrekken van Moïse Camondo


Na de bevrijding ontdekt Irène Cahen d’Anvers op een tentoonstelling van meester-werken van Franse collecties, teruggevonden in Duitsland en Zwitserland, haar portret. Ze onderneemt stappen om het terug te bemachtigen en laat het identificeren, wat haar weinig problemen oplevert, iedereen weet immers dat het portret Irène Cahen d’Anvers voorstelt. Via de erfenis van haar dochter, laatste officiële eigenaar van het portret, komt Irène opnieuw in bezit van haar eigen schilderij. Maar de haat-liefde relatie met het schilderij blijft en even later – in 1949 – besluit ze het schilderij te koop te stellen bij een Parijse galerie. Het duurt niet lang of een koper meldt zich aan. Het is… Georg Bührle. Het schilderij vertrekt opnieuw naar Zwitserland, ditmaal in alle legaliteit en met de goedkeuring van de Franse staat. Het hangt vandaag in de Foundation E.G. Bührle in Zurich. Het schilderij is dus jammer genoeg niet te zien in het museum Nissim de Camondo. 

De verzameling bevat voornamelijk Franse meubels uit de 18e eeuw, aangevuld met schilderijen en wandtapijten. Als bezoeker is het nauwelijks voor te stellen dat hier gewone burgers hebben gewoond. Het huis en de inrichting hebben de allure van een paleis. Er zijn prachtige salons, een bibliotheek met uitzicht op het park en een grote eetzaal. Ook wordt de bezoeker toegelaten in de slaapvertrekken en de werkkamers van de Camondo’s. Bijzonder is bovendien dat ook de badkamers en de enorme keuken toegankelijk zijn voor publiek. Indringend omdat het voelt als een indringer, rondlopend in een verlaten huis.

 

Bronnen:

Pierre Assouline: 'Le dernier des Camondo'. Gallimard

Adriaan van Dis: 'Stadliefde; Scènes in Parijs'

 

Musée Nissim deCamondo, 63, rue de Monceau, 8e arrondissement, métro Monceau.

Geopend van woensdag tot en met zondag van 11.00 uur - 18.00 uur. Maandag en dinsdag gesloten. Entree €12 - vooraf reserveren is mijn advies.