Paris FvdV is een niet commercieel weblog speciaal voor kenners en liefhebbers van de stad Parijs - en voor hen die dat willen worden. Parijs is een stad met een gewichtig verleden, respectabel en gerespecteerd. Het is totaal niet nostalgisch. Parijs is er in geslaagd om, soms op brutale maar altijd op elegante wijze, om te gaan met zijn grootse monumenten. Ze te beschermen en te integreren in de nieuwe dynamiek van de stad. Parijs is een meester op het gebied van herstel en transformatie. U zult er nooit in slagen een volledig overzicht te maken van plekken en verhalen, die allemaal op hetzelfde punt uitkomen en de glorie van deze stad bezingen. toch wil ik een poging wagen. Wekelijks wil ik u niet alleen informeren over wat Parijs nog meer te bieden heeft, maar ook wil ik mijn liefde voor deze stad op u over dragen. In de hoop dat het raakt aan iets wat u herkent of voelt. Ferry van der Vliet.

Privacy verklaring: Indien u weblog Paris FvdV, dat bij Google-Blogger is ondergebracht, leest en reageert op de blogs van Paris FvdV, doet u dat vrijwillig en is uw IP-adres en mailadres - indien u dat vermeld - bekend en wordt opgeslagen. Ook uw schuilnaam waaronder uw reageert wordt opgeslagen. Paris FvdV zal uw gegevens nooit aan derden doorgeven. We houden uw gegevens privé, tenzij de wet of rechtelijke macht ons dwingt uw gegevens aan hen te verstrekken. Datalekken in het systeem vallen onder de verantwoordelijkheid van Google-Blogger. Door weblog Paris FvdV te bezoeken en/of de op of via deze weblog aangeboden informatie te gebruiken, verklaart u zich akkoord met de toepasselijkheid van deze disclaimer. Google gebruikt cookies om services te leveren en verkeer te analyseren dus uw IP-adres en user-agent zijn bij Google bekend, samen met prestatie- en beveiligingsstatistieken om servicekwaliteit te garanderen, gebruiksstatistieken te genereren, misbruik te detecteren en maatregelen te treffen.

zaterdag 26 november 2022

VRIJMETSELARIJ IN PARIJS

Met een rijke geschiedenis van meer dan drie eeuwen, is het Vrijmetselarijmuseum een van de meest curieuze culturele plekken in de Franse hoofdstad. Het museum is gevestigd in het Hôtel du Grand Orient de France aan de rue Cadet in het negende arrondissement. De Vrijmetselarij is in veel opzichten een mysterie voor niet-ingewijden. Om de oorsprong, de invloed en het belang van de Vrijmetselarij door de eeuwen heen te begrijpen en te demystificeren is dit een must-see museum. Het is natuurlijk niet nodig om een inwijdingsceremonie te ondergaan om het museum, dat jaarlijks 20.000 bezoekers ontvangt, te bezoeken.

Logo broederschap 'Grand Orient de France 


Geschiedenis: Het museum is opgericht in 1889 door de Grootoosten van Frankrijk met de ambitie om getuigenis te doen van de vrijmetselaarsinvloed op de evolutie van de samenleving, burgerschap en moderniteit. Het was toen nog een soort van rariteitenkabinet waarin een deel van het culturele erfgoed van de vrijmetselaars- broederschappen, beter bekend als loges, waren ondergebracht. Maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Vrijmetselarij in de door Duitsers bezet gebied verboden en werden vrijmetselaars vervolgd en lastiggevallen. De Vichy-politie had zelfs een speciale dienst om geheime genootschappen op te sporen. Tussen 1940 en 1944 plunderden en confisqueerden de nazi’s de collecties van het museum. Een deel van de stukken werd zelfs gebruikt om de grote antivrijmetselaarstentoonstelling in het Petit Palais op te zetten. De andere in beslag genomen stukken werden opgeslagen in het voormalige hoofdkwartier van de eveneens verboden Theosofische sociëteit aan de square Rapp, in het zevende arrondissement, omgevormd tot een branche van de Vichy-antivrijmetselaars. Na de bevrijding werd, wat er nog over was van de collecties, zo’n 50 stuks, teruggegeven aan de broederschap Grand Orient de France, die ze bij gebrek aan middelen zorgvuldig in dozen bewaarde.


Lucien Murat, Grand Maitre du Grand Orient de France van 1852 tot 1861
 

Vóór de oprichting van het museum stond op de plek in de rue Cadet een herenhuis dat aan het begin van de 18e eeuw toebehoorde aan de Prins van Monaco. Bewoond door de markies de La Londe, voorzitter van het parlement van Rouen in 1780. Later, in 1830, was het de residentie van maarschalk Clauzel. In 1854 kocht grootmeester Lucien Murat, de derde Prins van Murat, het hotel en vestigde er het hoofdkwartier van de broederschap Grand Orient de France. De voormalige balzaal van de Grimaldi’s werd vervolgens omgevormd tot een vrijmetselaarstempel. In 1957 kreeg de tempel de naam ‘Temple Arthur Groussier’, genoemd naar de voormalige voorzitter van de raad van de Orde van het Grootoosten van Frankrijk uit 1925. 

Aan het einde van de jaren ’60 herbouwde de broederschap Grand Orient de France  opnieuw een deel van zijn hoofdkwartier aan de rue Cadet. Het oude kleine gebouw werd vervangen door een groot gebouw beschermd met een grote metalen gevel volgens de smaak van de internationale stijl die in de jaren ’70 in zwang was. Een virtuele bunker waar je binnenkomt via een goed bewaakte glazen deur en beveiligingspoortjes, een indeling getekend door het oorlogstrauma. 

In 1973 werd het museum heropend en markeerde meteen de tweehonderdste verjaardag van de vorming van het Grootoosten van Frankrijk. Mede dankzij de hulp van de toenmalige grootmeester die veel heeft gedaan om opnieuw het vrijmetselaarserfgoed te verzamelen. Hij liep van veiling naar veiling om de collectie van voor de oorlog, te reconstrueren. Er werden zelfs stukken teruggekocht die eerder waren gestolen. Van 2008 tot 2010 werd dit unieke museum opnieuw ingrijpend gerenoveerd en kreeg bij de opening op 10 februari 2010 het predicaat toegekend, door het Ministerie van Cultuur, van ‘Musée de France’. De opening werd verricht door de Grootmeester van de broederschap Grand Orient de France; Pierre Lambicchi, in aanwezigheid van de toenmalige Minister van Cultuur Frédéric Mitterand (inderdaad de neef van) en Bertrand Delanoë die toen burgemeester was van Parijs.


Eenmaal langs de beveiligingspoortjes kom je in een grote hal die toegang biedt tot het museum





Vanaf het begin wordt je ondergedompeld in een zeer intieme sfeer, met name door de verlichting die mede dankzij licht-donkercontrasten een soort van clair-obscur weergeeft. Met transparante meubels waardoor het museum, bij binnenkomst, als een geheel kan worden waargenomen, terwijl de bezoeker van het ene ‘podium’ naar het andere wordt geleid. Chronologisch beleef je de ‘grote geschiedenis’ van de Vrijmetselarij op een intieme manier, een ontdekkingsreis langs de identiteit, de geschiedenis en de gebruiksvoorwerpen van de Franse vrijmetselaars: meubels, versieringen en rituele voorwerpen die toebehoorden aan de loges en de vrijmetselaars. Je ziet een grote collectie zegels, juwelen, medailles, schilderijen en persoonlijke voorwerpen zoals horloges, snuifdozen, manuscripten, patenten, gravures, boeken en foto’s. Verder enkele zeer emblematische stukken waaronder een portret van de Grootmeester van 1743 tot 1771, de graaf van Clermont. De ‘schort’ gebruikt tijdens de inwijdingsprocedure van Voltaire, Frans schrijver, essayist, filosoof en vrijdenker. Hij kan worden beschouwd als de prominente voortrekker van de Franse Verlichting en werd ingewijd aan het einde van zijn leven op 7 april 1778. Of het schort van Jérôme Bonaparte, de jongste broer van Napoleon Bonaparte en kortstondig koning van Westfalen. Maar ook het vrijmetselaarszwaard van Lafayette, een Frans aristocraat die beroemd werd vanwege zijn rol in de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd en de Franse Revolutie.


Het oudste stuk is de originele uitgave van de  ‘Constituties van Anderson’ gepubliceerd in 1723, een van de grondleggers van de moderne vrijmetselarij (boven) - Voorbeeld van een schort die gebruikt wordt bij de geheime inwijdingsprocedures (onder)


De ‘schort’ gebruikt tijdens de inwijdingsprocedure van Voltaire


Het vrijmetselaarszwaard van Lafayette, een Frans aristocraat 

 

Sommige stukken zijn ronduit verbluffend. Als bezoeker bewonder je ook de mooiste collectie aardewerk en glaswerk met maçonnieke versieringen uit de 18e eeuw. Het oudste stuk is de originele uitgave van de  ‘Constituties van Anderson’ gepubliceerd in 1723, een van de grondleggers van de moderne vrijmetselarij.  Een buste van Marianne uit 1882, zij symboliseert de ‘triomf van de Republiek’. Gemaakt door Paul Lecreux, beter bekend als Jacques de France. Het beeld is oorspronkelijk gemaakt voor de loge van Saint-Germain-en-Laye; ‘La Bonne Foi’. Maar ook een porseleinen Marianne uit de tweede republiek van 1842 tot 1852. De datum 23 februari 1848 die op de sokkel staat vermeld, verwijst naar het begin van de Parijse opstand die leidde tot de val van Louis-Philippe. Met recht zie je hier een van de mooiste collecties ter wereld.


Graaf van Clermont, Grand Maitre van 1743 tot 1771
 

Vrijmetselarij

De Vrijmetselarij is voortgekomen uit de bouwcorporaties van de middeleeuwen en is in haar huidige organisatievorm drie eeuwen oud. Er zijn vele wortels, o.a. in Schotland en Frankrijk, maar Engeland is de bakermat van de Vrijmetselarij. Daar bloeide in de 17de eeuw de Royal Society, een genootschap van vooruitstrevende wetenschappers, onder wie veel vrijmetselaren. De traditie van de Vrijmetselarij is dan ook diep geworteld in de geschiedenis van Frankrijk. Vrijmetselarij als hulpmiddel van de Verlichting of Eeuw van de Rede, een cultureel-filosofische en intellectuele stroming in Europa die ruwweg samenviel met de 18e eeuw, daarna als een vector voor verspreiding van het democratische liberale kamp. Vandaag de dag zijn er bijna 200.000 mensen lid van de Vrijmetselarij in Frankrijk, waarvan ongeveer een kwart lid van de oudste broederschap die van het Grand Orient de France. De Vrijmetselarij telde onder haar leden de grootste geesten en kunstenaars van hun tijd. De betekenis van de Vrijmetselarij als leerschool van deugd en democratie is dan ook enorm geweest. De meeste grote filosofen van de Verlichting waren vrijmetselaar: Rousseau, Montesquieu, Voltaire, Danton, enzovoorts. Op 14 januari 1882 werd de eerste vrouw geïnitieerd: Maria Deraimes. Vanaf 1901 volgen meerdere loges. De Vrijmetselarij in Frankrijk zijn opgesplitst in diverse groepen, Obediënties genoemd zowel toegankelijk voor mannen en vrouwen en gemengde vorm. 

 

Meestal komt men twee wekelijks samen om een zogenaamd ‘bouwstuk’ aan te horen, een filosofisch getinte voordracht, waarna er een uitwisseling van ideeën en zienswijzen volgt zonder te vervallen in felle discussies. In loges mogen geen zaken worden gedaan en er mag ook geen politiek worden bedreven. Ook twistgesprekken over godsdienst zijn verboden. Er wordt over van alles gesproken, maar nooit in een debatvorm, altijd in een dialoogvorm. Standpunten worden niet tegenover elkaar gezet, maar naast elkaar gelegd. Klonen, euthanasie, de scheiding van kerk en staat zijn voorbeelden van kwesties waarin de vrijmetselaars hun invloed trachten aan te wenden, doorgaans ten faveure van een liberale koers. Het verkrijgbaar maken van voorbehoedsmiddelen in Frankrijk was hun werk, en menige gemeente werd behoed voor een extreem-rechtse burgemeester doordat socialistische en gaullistische vrijmetselaars bij de plaatselijke verkiezingen besloten tot samenwerking.

 

De Marianne is ook een belangrijk symbool voor de vrijmetselarij - Een porseleinen Marianne uit 1848, het begin van de 2e republiek



Bronzen Marianne uit 1882 van de hand van Paul Lecreux / Jacques de France - Op 14 januari 1882 werd ook de eerste vrouw geïnitieerd: Maria Deraimes


Vrijmetselarij is geen godsdienst, geen ideologie of levensbeschouwing. En zeker geen sekte of geheim genootschap. De Orde van Vrijmetselaren is een democratische vereniging, waarvan de leden streven naar verdieping van inzicht. In dat streven staat de Orde natuurlijk niet alleen. Maar de Vrijmetselarij onderscheidt zich van andere organisaties op dat terrein door haar bijzondere methode van werken. Zij maakt daarbij gebruik van symbolen en rituelen, die op zinnebeeldige wijze de levensloop van de mens uitbeelden. In de Vrijmetselarij neemt de bouwsymboliek, erfenis van de ambachtelijke loges uit de middeleeuwen, een zeer belangrijke plaats in. De vrijmetselaar bouwt aan de ‘Tempel der Volmaking’, aan een betere wereld, waarbij hij zichzelf ziet als een bouwsteen. Passer en winkelhaak vormen internationaal hét herkenningsteken van de vrijmetselarij.

 

De Afrikaanse kenmerken van deze ‘Zwarte Marianne’ die in 1848 in opdracht van vijf vrijmetselaarsloges in Toulouse werd gemaakt, is voor die tijd buitengewoon vernieuwend


De passer wordt verbonden met de gedachte aan maatgeven, scheppen, afpassen. Hij is ook het symbool van de uitstralende Liefde uit het Oosten, het symbool van de Opperbouwmeester die alles ordent naar maat, getal en gewicht. De winkelhaak met zijn rechte hoek symboliseert de mens die het Licht ontvangt, de mens die zich in de ‘rechte verhouding’ weet te plaatsen tot zijn medemens. Een geliefde uitdrukking is dat de mens een ruwe steen is, die moet worden bekapt en gepolijst tot een zuiver kubieke steen, zodat die gave steen kan worden ingepast in het bouwwerk van levende stenen. Samen bouwen voor een hoger doel, schept een band. 

  


Tijdens de Tweede Wereldoorlog was de Vrijmetselarij verboden

Veel Fransen menen echter dat de Vrijmetselarij nog steeds een belangrijke geheime rol speelt in het politieke spel en achter de schermen veel invloed heeft. De Rooms Katholieke kerk (ooit staatsgodsdienst in Frankrijk) kijkt dan ook met Argusogen naar deze onafhankelijke organisatie. Het gesloten karakter van de Vrijmetselarij (men kan slechts lid worden na een zekere ballotage) maakt het in Frankrijk tot een geheimzinnige organisatie. De Dreyfus affaire is hier zeker debet aan. Deze Frans-joodse officier heeft de geschiedenisboeken gehaald als hoofdrolspeler in een politiek schandaal dat Frankrijk twintig jaar in zijn ban heeft gehouden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bestond er de complottheorie waarbij Joden en vrijmetselaren grote invloed uitoefende op het westerse wereldgebeuren. Naar verluidt vergaderen de loges nimmer zonder de Franse vlag en besluiten zij hun bijeenkomsten met een 'Leve de republiek!' 

Trakteer je zelf op een duik door drie eeuwen humanisme en geschiedenis.


Musée de laFranc-Maçonnerie, Vrijmetselarij-museum, rue Cadet 16, 9e arrondissement.

Metrostation Cadet, lijn 7.

Geopend dinsdag t/m vrijdag van 10.00 uur – 12.30 uur en van 14.00 uur tot 18.00 uur.

Zaterdags sluit het museum om 19.00 uur in plaats van 18.00 uur. 

Rondleiding

Een ongewoon bezoek om de geheimen van de vrijmetselaars van Parijs te ontdekken.

Deze rondleiding "Geheimen van de vrijmetselarij in Parijs" laat je kennismaken met de fascinerende verhalen van deze orde, een geheim genootschap dat sinds de 17e eeuw veel sporen heeft nagelaten in Parijs ! 

Bronnen:

Vrijmetselarij Nederland, Sarah Pons, Pierre de Boudewijn, Vrijmetselarij in Frankrijk door A.L. Longayroux,



woensdag 16 november 2022

EDWARD HOPPER, PARIJSE JAREN

Doordat ik sinds 2014 lid ben van het prestigieuze Atelier Néerlandais in Parijs ontmoet ik aldaar regelmatig medewerkers van onze ambassade. Logisch, want het Atelier, platform voor Nederlands ontwerp, de kunsten en het boek, is onderdeel van de Nederlandse ambassade in Parijs. Zo was het dat Friso Wijnen, ambassaderaad voor cultuur, mij intrigeerde met een volgende post op Facebook:

Benzinestations, coffee corners badend in neonlicht, riante witte huizen aan de rand van een bos, dat zijn de beelden die bij me opkomen als ik aan Edward Hopper denk. Ik had er geen weet van dat de Amerikaanse schilder tussen 1906 en 1910 drie keer Parijs bezocht en er zo’n veertig olieverfschilderijen maakte. ‘Ik geloof niet dat er een andere stad in de wereld zo mooi is als Parijs’, schreef Hopper in 1906 aan zijn moeder. Beïnvloed door het impressionisme en door de fotografie van Eugène Atget toonde Hopper een bijna verlaten stad met nadruk op vorm en architectuur.

Daarbij volgde onderstaande afbeelding: ‘Rue de Paris’ - 1907.



Edward Hopper, 'Rue de Paris' 1907 - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York

 

Regelmatig heb ik blogs geschreven over Nederlandse, maar ook over internationale kunstenaars in Parijs, maar net als Friso wist ik niet dat de Amerikaanse kunstschilder Edward Hopper in Parijs heeft gewoond en gewerkt. Geen wonder eigenlijk, want Parijs was aan het begin van de 20e eeuw de kunsthoofdstad van Europa. Nieuwe stijlen volgden elkaar in die tijd in rap tempo op. Kunstenaars van over de gehele wereld trokken naar Parijs om zich onder te dompelen in deze bruisende metropool. Mondriaan, Chagall, Picasso, Sluijters, Kandinsky om er maar een paar te noemen. De meeste kunstenaars die in Parijs aankwamen, hadden niet veel te besteden en verbleven in de goedkope buitenwijken. In Montmarte en later Montparnasse ontstonden daarom kunstenaarskolonies, waarin schilders zich probeerden op te werken vanuit armoede naar beroemdheid.



1906 Trappenhuis en binnenplaats rue de Lille 48 - Edward Hopper, Courtesy Whitney Museum of American Art, New York

 

In de herfst van 1906 arriveerde Hopper in Parijs en nam zijn intrek in de rue de Lille 48, een pand dat eigendom was van de Evangelische Baptistenkerk die er aan grenst. Het pand bestaat overigens nog steeds, zo ook de kerk die dateert uit de jaren 1870. Het verblijf van Hopper bij de Evangelische kerk was geregeld via zijn ouders die lid waren van een baptistenkerk in Hudson Valley. En zo ging hij op kamers in het appartement van een weduwe. Hij was 24 jaar en net afgestudeerd aan de New York School of Art.

 

Edward Hopper, zelfportret 1903 - 1906 - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York

In een 695 pagina’s tellende biografie over Hopper beschrijft kunsthistorica Gail Levin de Parijse periode van Edward Hopper. “Hij bracht de eerste maand in Parijs door met zijn ogen. Wat hij zag werd belangrijker voor hem dan wie hij ontmoette of wat hij deed”. In brieven aan zijn moeder beschreef hij de geometrie van Parijs, de daken van leisteen en zink, de schoorstenen en de grijsblauwe kleur die de stad op regenachtige dagen leek te omhullen. 

Hij bezocht een week na zijn aankomst de Salon d'Automne, een van de belangrijkste kunsttentoon-stellingen van schilder- en beeldhouwkunst in Parijs. In 1903 werd de eerste georganiseerd door Georges Rouault, André Derain, Henri Matisse en Albert Marquet, als een reactie op het conservatieve beleid van de officiële Parijse salon. De tentoonstelling werd vrijwel onmiddellijk het paradepaardje van de ontwikkelingen en innovaties in de 20e-eeuwse schilderkunst en beeldhouwkunst. 

Hier werd hij verliefd op het werk van Félix Vallotton, een van oorsprong Zwitserse kunstschilder, die zich in 1900 liet naturaliseren tot staatsburger en Albert Marquet, een Franse kunstschilder, tekenaar, aquarellist en illustrator. Twee schilders die een grote invloed hadden op zijn kunst. Hier ontdekte hij het impressionisme. waardoor hij overging op veel frisser, kleurrijker, sensueler en spontaner werk dan zijn eerdere Amerikaanse werk. Dit  mede dankzij het werk van impressionisten als Monet, Renoir, Sisley, Pissaro en Cézanne.

 

Edward Hopper liet zich inspireren door werken van Félix Vallotton (l) en Albert Marquet (r) 


Zijn roots, leven dichtbij de Hudson rivier in New York, voeren hem naar de Seine, die letterlijk achter zijn appartement stroomt aan de rue de Lille. Hopper werkt voornamelijk buiten, net als de impressionisten. Zo dwaalde hij langs de rivieroevers. Van zijn Parijse schilderijen is bijna een derde geïnspireerd op de Seine. Een van zijn eerste werken was die van het trappenhuis in het appartement van zijn hospita. Daarna volgde de binnenplaats, maar ook bekende Parijse monumenten zoals de Notre-Dame, het Louvre en de Pont des Arts. Allemaal gekadreerd zoals wij die kennen van de Franse fotograaf Eugène Atget wiens werk Hopper ontdekte in Parijs. Goed voorbeeld hiervan is de zeer strakke uitsnede van zijn schilderij van de trap waar het lijkt op een uitsnede van een groter schilderij. Maar niets is minder waar, dit is wat Hopper ons wilde laten zien.



Mede dankzij het impressionisme ging Edward Hopper over op veel frisser, kleurrijker, sensueler en spontaner werk (zie onderstaande foto's) - Edward Hopper 1906 - 'Bords de Seine' - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York


Edward Hopper, 'Le Pont des Arts' 1907 - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York


Edward Hopper, 'Le Quai des Grands Augustins' 1909 - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York

 

Hoppers visie op Parijs is er een van een verlaten stad, zonder mensen, en als je zijn doeken op je laat inwerken, dan wordt je vanzelf stil en bevangen, maar ook een beetje verdrietig. Het heeft soms wat desolaats. Dat Hopper je mentaal weet te vangen, dat is zeker. De kunstenaar reserveerde houtskool, inkt en waterverf voor zijn studies en straattaferelen, terwijl hij olieverf gebruikte om zijn stijl te verfijnen. Hij bezocht vaak tentoonstellingen, galeries en salons om de nieuwste uitingen in de moderne kunst te zien. In de tijd van Hopper was de rue de Lille en omgeving doorspekt met kunstgalerijen en antiekwinkels. Hopper bleef echter onaangetast door de destijds populaire fauvistische en kubistische kunst, en bleef in plaats daarvan zijn eigen artistieke koers volgen. In een van zijn schaarse interviews vertelde hij over zijn Parijse periode: “Ik heb gehoord van Gertrude Stein, maar ik kan mij niet herinneren dat ik ooit van Picasso heb gehoord”.

 

Edward Hopper. 'Notre-Dame' 1907 - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York


In de zomer van 1907 verliet Hopper Parijs om daarna nog twee keer terug te komen voor korte bezoeken, 1909 en 1910. Na het verlaten van Parijs in 1910, kwam Hopper nooit meer terug. Zijn Parijse oeuvre omvatte zo’n vijftig olieverfschilderijen, een dertigtal aquarellen en een schat aan foto’s en schetsen. Over zijn drie bezoeken aan Parijs zei hij ooit; “Het kostte mij tien jaar om over Europa te komen”. Tijdens die periode schreef hij zich niet in voor lessen, huurde ook geen studio maar schilderde gewoon wat hem interesseerde. Hij schetste ook mensen, van theaterbezoekers tot soldaten en prostituees.

 

Edward Hopper, Nude, rue de Lille 48 (1906-1907) - Courtesy Whitney Museum of American Art, New York - Josephine N. Hopper Bequest


Parijs na het bezoek van Hopper is nog altijd Parijs. Als je rue de Lille 48 opzoekt in Google Earth zie je dat de binnenplaats nauwelijks is veranderd. Het schilderij ‘Trap op 48’, zulke trappen vind je nog steeds in de vele Haussmann-gebouwen in Parijs, chocolade bruine deuren en een gebogen mahoniehouten trap met uitgesleten treden. Zo ook het schilderij ‘Straat in Parijs’ (‘Rue de Paris’ 1907). We weten dat Hopper veel tijd doorbracht in het Quartier Latin, de Parijse studentenwijk. Kenmerkend in het schilderij zijn de trappen aan de rechterkant en dat het gaat om een smalle straat. Nou die zijn er niet zoveel in Parijs en met name te vinden in het oude centrum. Mijn eerste gedachte gingen uit naar rue du Haut-Pavé, maar die loopt niet in een bocht, maar heeft wel de kenmerkende trappen. Speuren, mede dankzij Google Streetview, brengt bij een paar straten verder naar de rue Domat. Kijk zelf maar eens naar de treffende gelijkenis.



De binnenplaats van rue de Lille 48 (1906) versus Google Earth (2022)


'Rue de Paris' (1906) versus Google Street View (2022) - Rue Dormat

 

Helaas zijn er geen werken van Hopper’s Parijse periode te vinden in Parijse musea. Om ze  in het echt te kunnen bewonderen moet je afreizen naar New York, naar het Whitney Museum of American Art. Nog twee weetjes: Tijdens zijn Europa reis bezocht Hopper ook Spanje, London, Berlijn, Brussel en Amsterdam. Het werk dat toen de meeste indruk op hem maakte was de Nachtwacht van Rembrandt. Ook ontdekte hij in Parijs de poëzie van Charles-Pierre Baudelaire. Hopper zou zijn hele leven werk van Baudelaire lezen en voordragen. De beide mannen deelden interesses over eenzaamheid in het stadsleven en de troost van de nacht.


Charles-Pierre Baudelaire - Gustave Courbet - courtesy Musée Fabre, Montpellier (l) De cenotaaf van Charles-Pierre Baudelaire, Cimetière Montparnasse


Edward Hopper, 22 julli 1882 – 15 mei 1967 

Bronnen: Gail Levin, ‘Edward Hopper, An Intimate Biography’, Wikipedia, Whitney Museum of American Art.



woensdag 9 november 2022

SENLIS, EEN STAD DIE DE TIJD OVERSTIJGT

Laatst, onderweg naar Parijs, kwam ik een pareltje tegen dat tot mijn grote verwondering niet terug te vinden is in verscheidene Nederlandse Frankrijkboeken in mijn bezit zoals: het lijvige boek van Trotter, ‘Reizen Frankrijk’ of 1200 top-ervaringen in Frankrijk, eveneens van Trotter, het boek van Frankrijkkenner Ruud Couwenhoven, ‘Frankrijk Binnendoor’ en als laatste ‘Frankrijk Puur Roadtrips’, van Martijn en Marita Joosse. Ongelofelijk, want dit pareltje is alleen al een bezoek waard vanwege zijn gotische kathedraal en de historische straten in de oude stad. De geschiedenis van deze stad gaat zelfs terug tot de Gallo-Romeinse tijd en in de middeleeuwen was het zelfs een koninklijke stad, plus het vormt een heerlijk tussenstop onderweg naar Parijs.

 

Senlis, dit pareltje is alleen al een bezoek waard vanwege zijn gotische kathedraal en de historische straten


Nieuwsgierig? Ik heb het over Senlis, minder dan 50 kilometer verwijderd van Parijs, een opmerkelijke plek waar de geschiedenis zijn sporen heeft nagelaten. Met een bezoek aan Senlis duik je in 2.000 jaar geschiedenis. Terug naar de Gallo-Romeinse tijd met arena’s van de 1e eeuw waar gladiatoren vochten. Je ziet er restanten van de oude muur van Augustomagus uit de 3e eeuw, en die van de eind 12e eeuw gebouwd onder Filips Augustus, een van de best bewaarde van Frankrijk. Je kunt er nog 16 van de oorspronkelijke torens bewonderen. Begiftigd met verschillende juwelen uit de middeleeuwen. Je ontdekt de restanten van het koninklijk kasteel van de Capetingen tot de Bourbons. De bovenstad ligt op een heuvel van kalksteen. De zuidrand daalt steil af naar het riviertje de Nonette. De stad bezit onderaardse drinkwaterbronnen en de kalksteen, die voor een deel met leem is bedekt, komt uit de geologische periode Lutetien (zoek dat maar eens op in Wikipedia) en is dus ongeveer 42 tot 48 miljoen jaren oud.



 Je ziet er restanten van de oude muur van Augustomagus uit de 3e eeuw

Vanaf de ijzertijd tot de 19e eeuw maakten de bewoners van Senlis gebruik van zandsteen dat gemakkelijk is te bewerken. Daarom zijn vele gebouwen uit dat lichtgele materiaal opgetrokken. Bovendien schiep men zo de mogelijkheid, ondergrondse ruimtes onder de huizen en andere gebouwen uit te hakken en in te richten. Deze dienden als opslag- en noodwoonruimte, maar ook als schuilplaats tijdens de vele oorlogen en bezettingen, die de stad bijna twee millennia lang teisterden. Het komt nog steeds voor dat men in Senlis, bij verbouwingen, stuit op onontdekte kelders. Vele van deze archeologische vondsten en kunst zijn te zien in het Musée d’Art et d’Archéologie de Senlis dat gevestigd is in het voormalige bisschoppelijke paleis.

 

In Senlis ontdek je de restanten van het koninklijk kasteel van de Capetingen tot de Bourbons


De stad ligt midden tussen drie fraaie en belangrijke bosgebieden. Aan de noordkant ligt het Forêt d’Halattes. Het Forêt de Chantilly ligt ten westen met aan de rand het prachtige kasteel van Chantilly en ten zuidoosten het Forêt d’ermenonville met de voormalige abdij van Chaalis.


De Cathédrale de Notre-Dame een van de mooiste van Frankrijk


Te midden van Senlis ontdek je middeleeuwse straten en Romeinse overblijfselen. In het centrum ontdek je een van de mooiste voorbeelden van de bedrijvigheid van bouwlustige bisschoppen en de interesse van Franse Koningen; de Cathédrale Notre-Dame. Gebouwd tijdens de hoogtijdagen van Senlis, tussen de 12e en 13e eeuw naar het voorbeeld van de basiliek van Saint-Denis. Het wordt samen met die van Amiens, Parijs, Reims, Beauvais, Rouen en Chartres genoemd als een van de mooiste kathedralen van Frankrijk en is daarom in 1887 ook geklasseerd als historisch monument. 

De bouw van deze kathedraal, de kleinste van Frankrijk, begon in 1153 en vorderde langzaam door constant geldgebrek. De inwijding vond plaats 38 jaar later in 1191. Verschillende verbouwingen en toevoegingen volgden in 1240 en 1504. Een blikseminslag veroorzaakte toen een felle brand. Het waren Lodewijk XII en François 1er die de knip trokken voor de restauratie die duurde tot 1515. Halverwege de 13e eeuw kreeg de toren zijn prachtige spits waarop vele klokkentorens in de Valois zijn geïnspireerd. De toren is maar liefst 78 meter hoog. Het schip van de kathedraal is 70 meter lang, ruim 19 meter breed en 24 meter hoog. De tribunes boven de zijbeuken behoren tot de mooiste van Frankrijk. Volgens de overlevering herbergt de kathedraal het kaakbeen van Saint-Rieul, de eerste bisschop van Senlis en een sleutelfiguur in de lokale geschiedenis. In 2020 vierde de kathedraal zijn 870-jaar bestaan. Maar ook hier zie je de kwetsbaarheid van de kalksteen die erg gevoelig is voor vocht en vuil. Daardoor is de kathedraal permanent onderhevig aan restauratiewerkzaamheden. Zo moet het bouwwerk regelmatig worden ontgroend. Zon, water, beschutting en mineralen vormen een ideale bron voor mossen en kleine planten. Om de twee jaar moet de vegetatie worden verwijderd door alpinisten om blijvende schade te voorkomen. Onlangs werd nog het grote orgel uit de 17e eeuw gerestaureerd, afkomstig uit de abdij van Saint-Vincent. Het lijkt allemaal op een gebed zonder einde. Let nog even op het grote portaal dat gewijd is aan de hemelvaart van Maria. Het beeldhouwwerk is tamelijk uniek voor de 12e eeuw.

 

De bouw van deze kathedraal, de kleinste van Frankrijk, begon in 1153



Senlis is goed bekend bij filmmakers vanwege haar natuurlijke omgeving, middeleeuwse straten, pleinen en historische monumenten, herenhuizen en kastelen. Er zijn door de tijd meer dan honderd films opgenomen, geheel of gedeeltekijk. Enkele bekende titels zijn: The Longest Day (1962), James Bond A View to a Kill (1985), de graaf van Montechristo met Gérard Depardieu (1997), Arsene Lupin met Kristin Scott-Thomas ( 2003), The Adventures of Young Voltaire, een Frans - Belgische miniserie in vier afleveringen (2021), The Grey Man met in de hoofdrol Ryan Gosling (2021).



 Le Jardin du Roy



Tegenover de kathedraal ligt de Jardin du Roy. Dit park ligt in de vroegere gracht van de Gallo-Romeinse omwalling. De muur was 7 meter hoog en 4 meter dik. Vanuit dit park heb je een geweldig uitzicht op de restanten van de muur, de overgebleven torens en de kathedraal. In wat vroeger de Prieuré Saint-Maurice was zit nu het Musée de la Vénerie, een museum gewijd aan de jacht. In het park zie je de restanten van het koninklijk kasteel van Senlis, waar Hugues Capet tot koning van Frankrijk werd gekozen, gebouwd in de Merovingische periode maar grotendeels verwoest na de Franse Revolutie.

 


De straatjes worden gekenmerkt door historische gebouwen



Wandel door het oude centrum met verschillende gebouwen geklasseerd als historisch monument. Het maakt eigenlijk niet uit welke richting je in gaat, wandelen in Senlis voelt als wandelen door een historisch filmdecor. De straatjes worden gekenmerkt door historische gebouwen maar ook met leuke plaatselijke winkeltjes en religieuze gebouwen zoals de kapel Saint-Frambourg (interessant voor zijn grafkelder uit de 10e eeuw en prachtige glas-in-loodramen) en de kerk Saint-Pierre, die zich op zijn beurt weer onderscheidt door zijn Renaissance toren en gevel in laatgotische stijl.

 

Senlis voelt als wandelen door een historisch filmdecor



Prikkel je zintuigen tijdens de wandeling over en langs de wallen die de eeuwen voorbij hebben zien gaan. Volg de oude verdedigingslinie die het oude historische centrum afbakent. Les remparts (de wallen) van Escalade, Saint-Vincent, Bellevue, de Passage des Carmes en de wallen van Montauban bieden u een onverwacht uitzicht over de stad aan de ene kant, en aan de andere kant over bloementuinen, moestuinen, weiden en de Nonette die nog steeds stroomt in de buurt van de fundamenten. De 12e en 13e eeuw vormden de grootste bloeiperiode van de stad door de goedlopende handel in wol, leer en bont. Overal langs de Nonette stonden watermolens ten behoeve van allerlei ambachten. Rond het jaar 1300 was Senlis zelfs even groot als Parijs.

 

Een opmerkelijke plek waar de geschiedenis zijn sporen heeft nagelaten




Natuurlijk kent Senlis ook nieuwbouw mede dankzij de aanleg van de snelweg A1 in 1971 en de komst van de luchthaven Roissy-Charles de Gaulle (1974). Dit bracht nieuwe bewoners in de stad die zich voornamelijk vestigden in de gerenoveerde buitenwijken. Het spoorwegstation van Senlis doet geen dienst meer. Het is thans in gebruik als arbeidsbureau. Maar er voor ligt de halte voor de streekbussen die je naar Creil brengen (12 km) alwaar je kunt overstappen op het openbaar vervoer dat je brengt naar hartje Parijs, naar het Gare du Nord. Senlis heeft ook een op- en afrit van de snelweg A1 richting Parijs.



 

Senlis is een verborgen parel die in de Nederlandse Frankrijkboeken zeker meer aandacht verdient



vrijdag 28 oktober 2022

HET CIMETIÈRE PARISIEN DE BAGNEUX

Het is weer een prachtige herfstdag wanneer ik om 15.30 uur uitstap bij het in januari 2022 geopende metrostation Barbara, dat een eerbetoon brengt aan de zangeres die begraven ligt op de Parijse begraafplaats van Bagneux, gelegen aan de overzijde van het station. De zon staat laag aan de helblauwe lucht en zorgt dat de bomen aan de avenue Marx-Dormoy kleuren als in een Indian Summer. De cimetière Parisien de Bagneux stond al heel lang op mijn to-do lijstje. Dit kerkhof wordt vaak de ‘Joodse begraafplaats’ genoemd omdat er veel secties voor Joden zijn gereserveerd. Je vind diverse monumenten voor joodse strijders die stierven voor Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog,  maar ook een hele reeks van collectieve graven van slachtoffers van de diverse ghetto’s in Poolse steden. Zij die berooid terugkwamen uit de vernietigingskampen en later geen geld meer hadden voor een waardige begrafenis. 

Het nieuwe metrostation Barbara is onderdeel van het project ‘Grand Paris Express’. Wat weinigen weten is dat Nicolas Sarkozy op 26 juni 2007 de basis legde voor dit grootste infrastructuur project van Europa. Het project ‘Grand Paris’ heeft tot doel het stadsgebied van Parijs om te vormen tot een stad van de 21e eeuw en zijn positie onder concurrerende internationale megasteden te bevestigen. Barbara vormt samen met het station Bagneux Lucie Aubrac de verlenging van lijn 4, die loopt van Porte de Clgnancourt tot de voorstad Bagneux, als onderdeel van een betere integratie van de voorsteden. Het centrum van Parijs is nu bereikbaar binnen 30 minuten. De hoofdingang van het kerkhof ligt op ongeveer 5 minuten lopen van het metrostation Barbara. De begraafplaats is een van de kerkhoven waar mensen worden begraven die niet intramuraal in Parijs terecht kunnen, vanwege ruimtegebrek, maar ook omdat de concessies hier goedkoper zijn. Het cimetière Parisien de Bagneux is een van de zes Parijse begraafplaatsen buiten de périphérique, de rondweg van Parijs. De anderen zijn Pantin, Thias, Ivry-sur-Seine, Saint Ouen en La Plaine Saint-Denis.

 


De hoofdingang naar het kerkhof bevindt zich op de avenue Marx-Dormoy 45


Een decreet van 1884 stond het stadhuis van Parijs toe grond te verwerven in de voorstad van Bagneux, om een begraafplaats op te richten om zo het hoofd te bieden aan de toename van de Parijse bevolking, maar ook aan de verveelvoudiging van individuele graven. Père Lachaise opende in mei 1804. Op 25 juli 1824 volgt de eerste teraardebestelling in het zuiden, op het kerkhof van Montparnasse en 1 januari 1825 opent het Cimetière de Montmartre, officieel Cimetière du Nord. De Parijse begraafplaats van Bagneux werd geopend in 1886 en strekt zich uit over 116 divisies op een grondgebied van 62 hectaren. Het heeft ongeveer 83.000 graven en is daarmee groter dan Père Lachaise met 69.000 grafzerken.


Het Cimetière Parisien de Bagneux is groter dan Père Lachaise

 

De hoofdingang bevindt zich op de avenue Marx-Dormoy 45. Bij de informatie hangt een plattegrond met de 100 belangrijkste graven, te vinden in de diverse divisies. De persoonlijkheden uit de film en muziek die hier begraven liggen maken de begraafplaats tot een druk bezochte necropolis. Verschillende grafmonumenten bewaren een sterke herinnering aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Er liggen Franse, Belgische, Engelse maar ook Duitse soldaten begraven. Maar wat kenmerkend is voor dit kerkhof is het belang van de joodse stèles en monumenten die met name te vinden zijn op de divisies aan de linkerzijde van de hoofdingang, parallel aan de avenue de Montrouge. Elke laan op het kerkhof is beplant met één specifieke boomsoort wiens naam het draagt, zoals de avenue des Peupliers (populieren), avenue des Poiriers (perenbomen), avenue des Copalmes (Amerikaanse amberboom) en de avenue Micocoulliers (zwepenboom). In totaal staan er 5.900 bomen (totaal 49 verschillende soorten). Vele soorten vogels of rode eekhoorns bevolken deze plek.

 

Verschillende divisies bewaren een sterke herinnering aan de Eerste en Tweede Wereldoorlog


Elke laan op het kerkhof is beplant met één specifieke boomsoort wiens naam het draagt


Ik ga op zoek naar het graf van Barbara, volgens de plattegrond gelegen in divisie 4 grenzend aan de avenue de Montrouge. Barbara, geboren in Parijs op 9 juni 1930, haar echte naam was Monique Serf, is waarschijnlijk een van de grootste namen van het Franse lied, samen met Brel, Brassens, Piaf en Ferré. Afkomstig uit een joods gezin geteisterd door de Tweede Wereldoorlog, zij was toen nog een tiener. In een boek door haar geschreven, een jaar voor haar dood en dat uitkwam in 1998 onthult ze onder meer dat ze seksueel misbruikt is door haar vader die vervolgens haar familie heeft verlaten. Na de oorlog hoorde een buurvrouw die muzieklerares was, haar zingen en zette zich vervolgens in om er voor te zorgen dat zij haar zangtalent kon ontwikkelen. Ze kreeg zang- en pianolessen en schreef zich in bij de École supérieure de musique. Verder zong ze bij ‘La Fontaine des Quatre Saisons’, een populair cabaret in Parijs. Door haar lengte, zwarte kleren, gitzwarte haren en bleek gezicht had ze een spookachtige verschijning die de melancholie van de teleurgestelde liefde weergaf.

 

Het graf van Monique Serf alias Barbara in de joodse divisie



In Parijs ontmoette ze Jacques Brel en raakte met hem bevriend. Ze vertolkte verschillende liedjes van hem. Later werd ze voorgesteld aan Georges Brassens. Ze gaf verschillende optredens in kleine zaaltjes en er ontwikkelde zich een trouw publiek, met name vanuit de studenten van het quartier Latin in Parijs, maar pas in 1961 werd ze beroemd door optredens in de muziektempel van ‘Bobino’ bij Montparnasse. Ze ging verder in kleine zaaltjes en twee jaar later in het ‘Théâtre des Capucines’. Ze wist de aandacht te trekken van het publiek en die ook vast te houden met een nieuw repertoire. Vanaf dat moment was haar naam gevestigd en in 1964 tekende ze een contract met de platenmaatschappij Philips Records. Bekende door haar uitgevoerde nummers zijn: L'aigle noir, Nantes, La solitude en Dis, quand reviendras-tu?

Ze is overleden aan ademhalingsproblemen op 24 november 1997.  Ongeveer 2.000 mensen waren aanwezig bij haar begrafenis waaronder persoonlijkheden zoals Gérard Depardieu, Yves Duteil, Jean-Claude Brialy, Enrico Macias, Annie Giardot, Fanny Ardant, en Carla Bruni. Gérard Depardieu declameerde enkele verzen uit Verlaines ‘Chanson d’automne’. 


Chanson d'automne

Les sanglots longs

Des violons

De l’automne

Blessent mon cœur

D’une langueur

Monotone.

Tout suffocant

Et blême, quand

Sonne l'heure,

Je me souviens

Des jours anciens

Et je pleure

Et je m'en vais

Au vent mauvais

Qui m'emporte

Deçà, delà,

Pareil à la

Feuille morte.                                                                      

 


Herfstlied

De lange snikken

Van de violen

Van de herfst

Verwonden mijn hart

In lome

Monotonie.

Benauwd

En doodsbleek, als

De klokken luiden

Herinner Ik me

Dagen van weleer

En ik ween

En ik ga weg

Waar kwade wind

Me heenvoert

Van hier naar daar

Net zoals

Een dood blad 

(Vertaling van Julien Georges Grandgagnage)


 

Op de graven staan berichten die herinneren aan persoonlijke drama’s of het overlijden in een van de vele concentratiekampen


Versteend verdriet

Ik vervolg mijn wandeling over het joodse gedeelte van de begraafplaats langs stèles die namen dragen van verre steden uit Polen of elders in Oost Europa zoals Warschau, Lodz, Stopnica, Sosnowiec. Sommige stèles zijn stoffig, gebroken of versleten door de tijd, de letters in het Hebreeuws of Latijns nog nauwelijks leesbaar. Op de graven staan berichten die herinneren aan persoonlijke drama’s of het overlijden in een van de vele concentratiekampen. De medaillons van foto’s van overledenen verwijzen naar een wereld die weggevaagd is door het leed in de vele kampen. Ze zijn allemaal verschillend, grijs, zwart, sierlijk, versierd of kaal, voorzien van een davidster of juist niet, maar ze zijn zo uitgelijnd dat ze van een afstand tegen elkaar lijken te leunen, elkaar steunen onder het gewicht van verdriet. 



Tegenover de derde divisie, voor de avenue de Montrouge, staat een stèle gewijd aan de slachtoffers van de Shoah die geen graf hebben en een stukje verder een monument voor alle joodse strijders die tijdens de Tweede Wereldoorlog voor Frankrijk zijn gesneuveld. Bij dit monument vinden jaarlijks herdenkingsplechtigheden plaats.



Stèles; ze zijn zo uitgelijnd dat ze van een afstand tegen elkaar lijken te leunen, elkaar steunen onder het gewicht van verdriet. 


Een man stapt uit een auto en heeft een keppeltje op Wandelend naar een graf haalt hij een soort van gebedenboekje uit zijn jas en bid hardop, dan weer fluisterend, dan weer mompelend. Een vriendelijke mevrouw die het tafereel ook aanziet vertelt mij dat de man de Kadish leest, het gebed voor de doden.   

Que ton Grand Nom soit glorifié et sanctifié dans le monde qu’il a créé selon sa volonté, et puisse-t-il établir son règne, faire fleurir son salut, et hâter le temps de ton Messie, de votre vivant et de vos jours et des jours de toute la maison d’Israël, dès que possible et dites: amen! 

Moge zijn grote naam verheven en geheiligd worden in de wereld die hij geschapen heeft naar zijn wil. Moge zijn koninkrijk erkend worden in uw leven en in uw dagen en in het leven van het gehele huis van Israël, weldra en spoedig. Zegt nu: Amen ! 



Als hij weer vertrekt pakt hij een klein steentje van de grond en legt het op het graf als teken van zijn aanwezigheid. Het is een gebruik uit de woestijn. Nomaden accentueren hun graven met een hoopje stenen. In Bijbelse tijden werden geen grafstenen gebruikt; graven werden gemarkeerd met hopen stenen, dus door deze te plaatsen (of te vervangen), verzekerde men het voortbestaan van de begraafplaats. Briefjes tussen de stenen bevatten vaak vrome wensen.

Nog niet zo lang geleden, dinsdag 24 mei 2022, werd een van de laatste getuigen van de Holocaust, Elie Buzyn in Bagneux ten grave gedragen Elie Buzyn, geboren in Polen in januari 1929 werd gedeporteerd naar het concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz, nadat hij in het getto van Lodz had gewoond. In 1945 werd hij tijdens de ‘dodenmarsen’ overgebracht naar Buchenwald. Als overlevende van de Holocaust vertelde hij jarenlang zijn verhaal om de herinnering door te geven aan jongere generaties. Hij overleed op 93-jarige leeftijd als een van de laatste Franse getuigen van de Holocaust.





Oscar Wilde

Ook Oscar Wilde was hier begraven tot dat zijn stoffelijke resten in 1906 werden overgebracht naar cimetière Père Lachaise. De Engelstalige schrijver stierf op vrijdag 30 november 1900 in het Hôtel d’Alsace aan de rue des Beaux-Arts nummer 13 te Parijs. Moegestreden door de processen die tegen hem plaatsvonden in april en mei 1895. Legendarisch geworden als een keerpunt in de geschiedenis van het publieke bewustzijn van homoseksualiteit. Tegen het einde was Wilde van een triomfantelijk succesvolle toneelschrijver veranderd in een geruïneerd man, veroordeeld tot twee jaar dwangarbeid wegens grove onfatsoenlijkheid. Maandag 3 december 1900 werd hij hier in Bagneux begraven. 

Zijn huidige graf op Père Lachaise, in de 89e divisie, die in steen is/was weergegeven in de vorm van een 'zwaar geschapen' gevleugelde sfinx, is nog steeds onderdeel van een bijzonder ritueel. Het grafmonument, ontworpen door Jacob Epstein, was een schenking van een anonieme vrouwelijke bewonderaar. Het gezicht van de sfinx is het gezicht van Wilde en wie weet, ook het evenbeeld van zijn geslachtsorgaan. Echter het geslachtsorgaan is al sinds mensenheugenis verdwenen. Twee Engelse dames, die over de begraafplaats wandelden, konden hun verontwaardiging niet onderdrukken toen ze oog in oog kwamen te staan met Wilde's mannelijk attribuut. Met twee stenen en twee forse slagen werd het edele deel verwijderd. De opzichter die het kostbare stuk later terugvond, nam het mee naar zijn kantoor, waar het twee jaar heeft gediend als presse-papier. Waar het daarna is gebleven is onbekend.

 


Sinds jaar en dag, vooral de laatste tien jaar, drukten vele vrouwen hun vuurrode lippen op zijn grafsteen en dreigde het graf ten onder te gaan aan een overdosis rode lippenstift.

Op 30 november 2011, ter ere van de 111-jarige sterfdag van Wilde, is tot grote teleurstelling van alle fans, het hele graf schoongemaakt en voorzien van een dikke glasplaat, zodat liefhebsters er geen kussen meer op kunnen geven, maar zoals rituelen moeilijk zijn uit te bannen, moet nu het glas er aan geloven. 

Andere beroemdheden die hier liggen begraven zijn Frida Boccara. Boccara, geboren in Marokko, was vooral in de jaren zestig en zeventig populair. In 1969 won ze het Eurovisie Songfestival met het lied 'Un Jour, Un Enfant'. Haar grootste hit was 'Cent Mille Chansons'.

In de zomer van 1996 overleed op 56-jarige leeftijd de Franse zangeres Frida Boccara aan de gevolgen van een longontsteking. Zij ligt begraven in de 63e divisie.



Het graf van Frida Bocarra, inmiddels vergeten door haar fans gezien de deplorabele staat
 

In 1927 overleed de Franse fotograaf Eugène Atget, bekend van zijn foto's van het toenmalige Parijse straatleven en de -architectuur. Zijn werk wordt vandaag de dag nog steeds hoog gewaardeerd in de wereld van de fotografie. Mede dankzij zijn assistente, de later bekende Amerikaanse fotografe Berenice Abbott, is zijn hele oeuvre bewaard gebleven voor het nageslacht. Na zijn dood wist Abbot een deel van zijn werk te verkrijgen en te bewaren. Circa 5000 van Atgets foto's en glasnegatieven bevinden zich in de collectie van het Museum of Modern Art in New York. Hij ligt ook in de Joodse divisie nummer 4.

 

Portret van Eugène Atget (1927) - Photo Berenice Abbott


Lang dwaal ik nog wat doelloos langs de vele graven, Bij het verlaten van dit indrukwekkende kerkhof moet ik denken aan een tweetal spreuken die ik tegenkwam tijdens mijn zoektochten langs de verschillende necropoli: 

In de catacombes: "Houd er elke morgen rekening mee dat u misschien de avond niet haalt en houd er elke avond rekening mee dat u misschien de morgen niet haalt".

 

Montfort l’Amaury daar waar Charles Aznavour begraven ligt:

"U die hier voorbij gaat - Bid tot God voor de overledenen. Wat u bent, zijn zij geweest"