Herkennen jullie dat ook; moeite hebben met jezelf
beperkingen op te leggen bij een bezoek aan een museum in Parijs? Het overkwam
mij bij weer eens een bezoek aan het Musée d’Orsay. Het museum bezit ongeveer
150.000 werken in zijn collectie, die alle technieken omvatten. Schilderijen, beeldhouwkunst,
kunstobjecten, foto’s en tekeningen van kunstenaars en architecten. Nationale
openbare collecties die het resultaat zijn van een lange geschiedenis die begon
in de 19e eeuw. Daarmee vormt zij de verbindende schakel tussen de
collecties van het Louvre en het Centre Pompidou / Beaubourg. 16.000 m²
tentoonstellingsoppervlak, verdeeld over drie lagen: Begane grond,
tussenverdieping en bovenste verdieping. De centrale hal, een ontwerp van de
Italiaanse architecte Gae Aulenti, is zo indrukwekkend dat ik besloot mij te
beperken tot de centrale gang, het Seine terras en het Lille terras vol met
beeldhouwkunst. De beeldhouwcollectie van het museum omvat meer dan 2.200
stukken, inclusief de werken die in depot zijn bij andere instellingen. De
getoonde collectier is levendiger dan ooit en gaf mij de kans om de
beeldhouwkunst van de tweede helft van de 19e eeuw beter te leren
kennen en….te bewonderen.
Ontstaan
Gare d’Orsay, speciaal gebouwd voor de
Wereldtentoonstelling van 1900. Toen het bijna voltooid was merkte de
kunstschilder Jean-Baptiste Édouard Detaille spottend op; “zo’n grandioos
spoorwegstation dat eruitziet als een Paleis voor Schone Kunsten, terwijl het
Paleis voor Schone Kunsten op een station lijkt! Mijn advies aan de architect
Victor Laloux is ze om te wisselen nu het nog kan”. Ruim 80 jaar later zou deze
ironisch bedoelde suggestie werkelijkheid worden.
Transformatie
In de jaren zeventig gaf het idee om het treinstation van
Orsay om te vormen tot een museum een nieuwe impuls aan de beeldhouwkunst uit
de tweede helft van de 19e eeuw . Het nieuwe gebouw bood een ideale ruimte voor
deze kunstvorm: het grote middenschip, verlicht door het steeds veranderende
natuurlijke licht dat door het glazen gewelf naar binnen viel. Zo kon het
publiek de beeldhouwkunst uit deze periode in al haar rijkdom en diversiteit
herontdekken. Bij de opening in december 1986 bracht het Musée d'Orsay een
collectie van ongeveer 1200 sculpturen bijeen, grotendeels afkomstig uit de
voormalige collecties van het Musée du Luxembourg, het Louvre en staatsdepots.
Bij binnenkomst in het Musée d'Orsay valt direct de
monumentale klok op. Een majestueus symbool van het industriële tijdperk dat
getuigt van het architectonische genie van Victor Laloux. De architect
integreerde dit functionele object op meesterlijke wijze in een opmerkelijke
artistieke compositie, waarbij hij staal en glas met zeldzame elegantie
combineerde. Het oorspronkelijke bouwwerk omvat drie van deze monumentale
klokken: twee aan de buitengevel en één in de centrale hal. Tijdens de
verbouwing tot museum in 1986 hebben de architecten deze historische objecten
behouden, omdat ze de uitzonderlijke erfgoedwaarde ervan erkenden.
Collectie
Vervolgens de collectie sculpturen die de grote hal vullen
waar vroeger treinen stonden te wachten op hun reis naar Orléans. Het daglicht
stroomt door het glazen dak waardoor het Musée d'Orsay een ideale plek is om de
sculpturen optimaal te bewonderen. Er zijn honderden beelden en bustes van de
meest gevierde kunstenaars waaronder: Daumier, Carpeaux, Rude, Pradier,
Cordier, Cavelier, Mercië, Rodin, Maillol, Bourdelle, Claudel en nog veel meer.
In deze blog beperk ik mij tot enkele hoogtepunten om jullie zo een goed beeld
te geven van de rijkdom van de immense collectie.
Jules Desbois (1851-1935)
In 1878 ontmoette Desbois Auguste Rodin op de bouwplaats
van het voormalige paleis Trocadéro en ze werden vrienden. Datzelfde jaar
besloot hij zijn geluk in de Verenigde Staten te beproeven, maar hij maakte
daar geen fortuin en keerde drie jaar later terug naar Frankrijk. Werd
assistent van Auguste Rodin om de vele opdrachten te verwerken. Naar verluidt
ontdekte hij in 1887 het tachtigjarige Italiaanse model Maria Caira, die model voor
hem stond voor zijn schilderij ‘la Misère’ en die later Rodin en Camille
Claudel zou inspireren tot werken als ‘la belle Heaulmière’ en ‘l'Hiver et
Clotho’. Hoewel hij werd beschouwd als "een van de beste beeldhouwers van
zijn eeuw", raakte Desbois na zijn dood in de vergetelheid en werden zijn
werken verspreid. Bovendien overschaduwde zijn samenwerking met Rodin zijn
eigen werk, waardoor de geschiedenis alleen de naam van de meester herinnerde
(bron Wikipedia).
Antoine Bourdelle (1861-1929)
Bourdelle oogst succes op de Salon van 1910 met zijn meer
dan levensgrote beeld van ‘Heracles als boogschutter’. Er bestaan twee versies.
Het Musée d’Orsay toont een afgietsel van de tweede versie. Hierin is de
boogschutter niet als torso uitgevoerd en zijn de rotsen waar Heracles op
knielt en zich tegen afzet in de sculptuur opgenomen. Bourdelle liet voor de
schutter een echte sportman poseren. Brons uit 1909
Antoine Bourdelle - Boogschutter 1909
Aristide Maillol (1861-1944)
Geldt terecht als de belangrijkste wegbereider voor de
moderne beeldhouwkunst in Frankrijk. Waar Auguste Rodin als unieke, zo niet
geniale verschijning toch gebonden blijft aan de 19e eeuw, brengt
Maillol de beeldhouwkunst nieuwe principes bij die stijlvormend zullen
doorwerken. Vanaf 1895 studeerde hij beeldhouwkunst bij Émile-Antoine
Bourdelle. Het werk in lood, ‘de begeerte’, maakte hij in Parijs in 1907. De
strenge geometrie die Maillol opbouwt uit menselijke lichamen, ondersteunt op
suggestieve wijze de inhoudelijke uitdrukkingskracht van dit werk: het gevangen
zijn in het begeren, het aandringen van de man en het terugwijken van de vrouw.
Aristide Maillol - De Begeerte 1907
Aristide Maillol was een groot bewonderaar van de Franse
kunstschilder Paul Cézanne (1839-1906). Na 1907 werkt Maillol aan ontwerpen
voor een plastiek ter nagedachtenis van Paul Cézanne. Tegen 1912 krijgt hij van
het ‘comité du Monument Cézanne’ uiteindelijk de opdracht voor een standbeeld
dat in de geboortestad van de kunstschilder, Aix-en-Provence, opgericht gaat
worden. Een rustig liggende vrouwelijke naaktfiguur met een lauwertak in de
hand. De versie in het museum is uit 1925.
Auguste Rodin
Rodin (1840-1917) mag zich de belangrijkste Franse
beeldhouwer noemen rond de eeuwwisseling van de 19de naar de 20ste eeuw. Hij
geldt als de wegbereider van de moderne beeldhouwkunst. Kenmerkend voor zijn
werk is de onrustige modellering van de oppervlakken, die weer zorgde voor een
prachtige lichtreflectie op het brons. Rodins beeldhouwwerk verbaast door zijn
sterke expressie, energie en vitaliteit. De mannen met grote gespierde blote
voeten met stevige tenen en goedgespierde torso’s, terwijl zijn vrouwen vaak
zachte vormen hebben. Dit is vooral goed te zien in zijn beroemde marmerwerk
'Le baiser', de kus. Van dit werk, dat geldt als een van de beroemdste en
succesvolle stukken van Rodin, bestaan slechts twee kopieën, een in Kopenhagen
en een in London. In het Musée d’Orsay is veel werk te zien van Rodin. Mijn
aandacht ging uit naar deze bronzen buste van Victor Hugo. Gemaakt tussen 1889
en 1909 en gegoten door Alexis Rudier, een invloedrijke Parijse bronsgieter die
in 1874 de Fonderie Rudier oprichtte. De gieterij stond bekend om het gieten
van werken voor meesters zoals Auguste Rodin, Antoine Bourdelle, Aristide
Maillol, Honoré Daumier en Henry Moore.
Auguste Rodin - Victor Hugo 1909
In 1880, wanneer Rodin voor het eerst een werk verkoopt aan
de Franse staat krijgt hij de opdracht om een bronzen portaal te maken voor het
nieuw te bouwen Musée des Arts Décoratifs. Als thema kiest hij Dantes ‘Divina
Commedia’, het boek dat hem sinds zijn reis naar Italië in 1875 niet meer heeft
losgelaten. Ugolin (1881-1882) is een dramatisch gipsen sculptuur van Auguste
Rodin, geïnspireerd op Dante's Goddelijke Komedie. Het toont de graaf Ugolino,
ingemetseld met zijn zonen in de gevangenis die hun graf zou worden, zag hen
sterven en, gek van honger, knaagde hij aan hun vlees voordat hij zelf stierf. Het
werk werd oorspronkelijk ontworpen voor ‘de Poort van de Hel’ en toont Rodins
kenmerkende emotionele, rauwe realisme. De figuur is opgebouwd rond een
centrale leegte; De gekwelde modellering, de ontwrichte lichamen van de
kinderen en de misvormde ledematen benadrukken allemaal de morbide, dramatische
sfeer.
Jean-Baptiste Carpeaux (1827-1875)
Carpeaux begint aan zijn ‘Ugolin’ als hij in 1858 in Rome
woont. Daar komt hij in aanraking met het werk van Michelangelo die hij zeer
bewondert. Carpeaux zou drie jaar nodig hebben om het gipsmodel te voltooien.
In 1882 geeft de Franse staat opdracht voor het maken van een bronzen
afgietsel, dat vervolgens in de tuinen van de Tuileriën wordt opgesteld. Nu is
het te vinden bij de centrale ingang van het museum.
Jean-Baptiste Carpeaux - Ugolin
De met Carpeaux bevriende architect Charles Garnier
verwerft in 1861 de opdracht voor het nieuwe gebouw van de Parijse opera. Een
jaar later kan al de eerste steen worden gelegd, maar pas in 1875 zal het
gebouw officieel geopend worden. Aan de voorgevel moeten vier allegorische
voorstellingen komen van de kunstvormen die de opera dienen. Carpeaux krijgt in
1865 de opdracht voor ‘De Dans’. Hij schept een reidans van zes uitgelaten
dansende, naakte meisjes rond een gevleugelde genius die de tamboerijn slaat. Als
in 1869 de meer dan vier meter hoge groep wordt onthuld breekt een geweldig
schandaal los. Dit is toch niet passend voor een operagebouw. In 1964 werd de
inmiddels sterk door luchtvervuiling aangetaste beeldengroep verwijderd en naar
het Louvre overgebracht en weer later naar het Musée d’Orsay. Op de Opéra Garnier staat een
kopie.
In de centrale hal staat een gipsenmodel van ‘De vier
werelddelen’. Baron Haussmann, de prefect van Parijs die de stad het gezicht
gaf dat we vandaag kennen, gaf Carpeaux in 1867 de opdracht een fontein te
ontwerpen voor de Jardin de la Observatoire. Het was de derde grote opdracht
die Carpeaux in zijn loopbaan zou verwerven. Vier vrouwenfiguren in een kring
dragen een wereldbol. Carpeaux werkt eraan van 1867 tot 1870. De vier
allegorieën dansen niet alleen in een kring, maar draaien ook om hun eigen as.
Europa raakt nauwelijks de grond, Azië, met haar lange vlecht, is bijna van
achteren te zien, Afrika is in driekwart-aanzicht afgebeeld en Amerika, met een
verentooi op haar hoofd, kijkt de toeschouwer aan, maar haar lichaam is opzij
gedraaid. Pas in 1874, een jaar voor Carpeaux' dood, werd de bronzen fontein op
de beoogde plek geplaatst. De tentoongestelde beelden zijn in 1963 gevonden op
een vuilstortplaats in Nantes. Het Musée d'Orsay kon ze verwerven in ruil voor
een schilderij van Sisley voor het Musée des Beaux-Arts de Nantes.
Jean Hugues (1849 - 1930)
Als beeldhouwer die binnen het gevestigde repertoire
werkte, genoot Hugues, ervan, net als alle traditionele kunstenaars van zijn
generatie, het menselijk lichaam te verkennen. ‘Oedipus in Colonus’, 1885,
behoort tot dit genre, maar ook tot de grote onderwerpen uit de antieke
geschiedenis. Het dient als voorwendsel voor anatomische verkenningen. Het
extreme realisme van de torso mishaagde critici, die Hugues ervan beschuldigden
meer waarde te hechten aan de waarheid dan aan stijl. Nadat het gipsen
afgietsel op de Salon van 1882 was tentoongesteld, gaf de staat de kunstenaar
de opdracht voor een marmeren versie voor nationale musea. Vanaf 1890 in het
Luxemburgmuseum, verhuisde in 1931 naar het Louvre en sinds 1986 toegewezen aan
het Musée d'Orsay.
Louis-Ernest Barrias (1841-1905)
Hij werd in Parijs geboren in een kunstenaarsfamilie. Zijn
vader was porseleinschilder en zijn oudere broer Félix-Joseph Barrias een
bekend schilder. Louis-Ernest begon ook als schilder, maar later wijdde hij
zich aan de beeldhouwkunst. In 1858 werd hij toegelaten tot de École nationale
supérieure des Beaux-Arts in Parijs, waar François Jouffroy zijn leraar was .
In 1865 won Barrias de Prix de Rome voor een studie aan de Franse Academie in
Rome . Barrias was betrokken bij de decoratie van de Opéra de Paris en het
Hôtel de la Païva aan de Champs-Élysées. Zijn werk was voornamelijk in marmer,
in een romantisch-realistische stijl die beïnvloed was door Jean-Baptiste
Carpeaux.
Dit beeld werd in 1889 in opdracht gemaakt om de nieuwe
Faculteit der Geneeskunde in Bordeaux te sieren. Een jonge vrouw, een allegorie
van de Natuur, tilt langzaam de sluiers op die haar omhullen. Nadat hij de
eerste versie in wit marmer voor de decoratie van het gebouw had voltooid,
ontwierp Barrias een tweede, polychrome versie voor de grote trap van het
Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs. Hiervoor gebruikte hij marmer en
onyx uit steengroeven die in Algerije waren herontdekt. De verschillende
onderdelen, zorgvuldig gebeeldhouwd om het decoratieve potentieel van de
materialen te versterken, spelen in op de nerven van de gestreepte onyx voor de
sluier, het gevlekte rode marmer voor de jurk, de kostbaarheid van lapis lazuli
voor de ogen en malachiet voor de scarabee, en koraal voor de mond en lippen. Het
algehele effect is opvallend rijk. Het werk behoort tot een omvangrijke
beweging van herontdekking van polychrome beeldhouwkunst, die werd ingeluid
door archeologische vondsten en vijftig jaar eerder al werd geïllustreerd door
Cordier. Gezien het succes van het werk werden er talloze edities geproduceerd.
Het beeld ‘De natuur die zich openbaart’ werd aangekocht in 1899.
Frédéric Auguste Bartholdi (1834-1904)
Van 15 september 2026 tot en met 31 januari 2027; ter
gelegenheid van de 250e verjaardag van de Amerikaanse
Onafhankelijkheidsverklaring, die in 2026 wordt gevierd, presenteert het Musée
d'Orsay een tentoonstelling en een virtual reality-ervaring gewijd aan het werk
van Auguste Bartholdi, een belangrijke figuur in de 19e-eeuwse Franse
beeldhouwkunst en maker van iconische werken, waaronder het Vrijheidsbeeld. Het
beeld, dat oorspronkelijk bedoeld was als een geschenk van Frankrijk aan de
Verenigde Staten ter herdenking van het honderdjarig bestaan van de
Amerikaanse onafhankelijkheid in 1876, werd uiteindelijk tien jaar later, in
1886, onthuld. In de tussentijd moesten Bartholdi en zijn aanhangers blijk
geven van verbeeldingskracht, durf en doorzettingsvermogen om het destijds
grootste beeld ter wereld te ontwerpen, te promoten en te bouwen (46 meter
hoog, 93 meter inclusief sokkel). Bartholdi koos voor een klassiek model,
geïnspireerd op het neoclassicisme. De eenvoudige, sobere vorm bevat
betekenisvolle symbolen: de brandende fakkel staat voor verlichting, de tablet
voor de wet en de gebroken kettingen voor slavernij. De stralende kroon is
geïnspireerd op het grafmonument van paus Clemens XIII in Rome, ontworpen door
Canova. Het bronzen vrijheidsbeeld in de centrale hal is aangekocht in 1900.
Charles Cordier (1827-1905)
Cordier heeft vermoedelijk het meest omvangrijke oeuvre op
het gebied van de gekleurde plastiek van de 19e eeuw op zijn naam
staan. Hij gebruikte uiteenlopende materialen als kleurige marmers en onyx die
hij bewerkte met sierlijke details. Daarin beperkt hij zich tot de attributen
en de kledingstukken op zijn portretbustes, de vleeskleur liet hij altijd
monochroom zoals te zien hier bij deze twee Soedanese negers uit 1856
(officiële benaming Soedanese neger in Algerijns kostuum). Cordier vond zijn
modellen op zijn vele reizen die hem bijvoorbeeld naar Algerije en Egypte
voerden.
Eugène Guillaume (1822 - 1905)
Richting de uitgang stuitte ik op een marmeren beeld van Eugène
Guillaume wat mij sterk deed denken aan een man die een selfie maakt, maar het
is de dichter Anacréon, een werk dat Eugène Guillaume maakte tijdens zijn
studieverblijf in Rome, dat in 1845 eindigde. Guillaume was een Franse
beeldhouwer. Hij studeerde aan de École
des Beaux-Arts, waar hij in 1841 begon en waar hij in 1845 de Prix de Rome won.
Later werd hij directeur van de École des Beaux-Arts in 1864 en
directeur-generaal van de Schone Kunsten van 1878 tot 1879, toen het ambt werd
opgeheven.
Het beeld, gehouwen uit wit marmer, stelt de Griekse dichter voor en is slank, met zijn arm boven zijn hoofd geheven, wat de lichtheid van zijn verzen symboliseert en tegelijkertijd hoe poëzie de mens kan verheffen. Het werk werd voor het eerst tentoongesteld op de Salon van Parijs in 1854. Het Musée d'Orsay kocht het beeld eerder, namelijk in 1852.
Zo genoeg gezien. Dit prachtige gebouw is niet alleen een museum maar ook nog steeds een station. Hoewel het hoofdgebouw in 1986 een museum werd, zijn de spoorrails niet verdwenen: ze liggen nu ondergronds en maken deel uit van de RER C. Een discreet overblijfsel uit het spoorwegverleden dat voortleeft, terwijl boven, in de majestueuze 32 meter hoge hal, de imposante klok nog steeds de tijd aangeeft, net zoals meer dan een eeuw geleden voor reizigers die naar het zuidwesten van Frankrijk vertrokken.
De monumentale beelden van de zes continenten, evenals die
van de olifant, het paard en de neushoorn, die sinds 1986 bezoekers van het
Musée d'Orsay verwelkomden, werden december 2024 discreet verwijderd van de
esplanade Valéry Giscard d'Estaing. Deze verwijdering is tijdelijk! Het is ter
voorbereiding op renovaties die de toegankelijkheid van het museum moeten
verbeteren en die in maart 2025 van start zijn gegaan. Tijdens hun afwezigheid
zullen deze iconische sculpturen worden gerestaureerd.
Het Musée d'Orsay trekt tussen de drie en vier miljoen bezoekers per jaar. In 2024 waren dat er 3,87 miljoen en is daarom samen met het Louvre een van de drukst bezochte musea in Parijs, Het staat wereldwijd bekend om de grootste verzameling impressionistische en post-impressionistische kunst. Het wordt daarom sterk aanbevolen om tickets vooraf online te reserveren om zo wachttijden te vermijden.
Musée d'Orsay, Esplanade Valéry Giscard d'Estaing, 7e
arrondissement, metrostation soferino, lijn 12 – RER-C Station Musée d’Orsay.
Toegang online € 16 in het museum € 14
Bronnen: Wikipedia, Musée d’Orsay, Kunst en Architectuur – Peter J. Gärtner




















_DxO_LR.jpg)