Parijs is een van de meest beloopbare steden ter wereld,
waardoor rondslenteren de ideale manier is om het leven in de Franse hoofdstad
te ervaren. Tijdens een wandeling door de straten kom je allerlei opvallende
bezienswaardigheden tegen, zoals de wereldberoemde metro-ingangen, unieke winkelgevels maar, torenhoog boven alles uit,
de historische Haussmann-appartementencomplexen. Deze gebouwen, ontworpen door
baron Georges Eugène Haussmann om het 19e-eeuwse Parijs te moderniseren, zijn
sindsdien een symbool geworden van de traditionele charme van de Franse
hoofdstad. De Haussmann-architectuur vormt de visuele ziel van Parijs. Met meer
dan 40.000 gebouwde huizen in de periode 1853 en 1870 vertegenwoordigen deze
gebouwen nu ongeveer 60% van de gebouwen in de hoofdstad!
Maquette van een Haussmann gebouw in het Cité de l’Architecture
Paris (l) versus werkelijke bouw
De renovatie van Parijs door Haussmann was een omvangrijk openbaar bouwprogramma in opdracht van de Franse keizer Napoleon III, dat tussen 1853 en 1870 werd uitgevoerd onder leiding van zijn prefect van de Seine, Georges-Eugène Haussmann. Hoewel Haussmann geen architect van beroep was, was het wel een ambtenaar met visie. Het primaire doel was om te ‘ventileren, verenigen en verfraaien’.
Ontsnapt aan de bouwwoede van Haussmann de rue des Ursins, Ȋle de la Cite’
Vóór de 19e eeuw bestond ‘Oud Parijs’ uit donkere,
middeleeuwse steegjes en kronkelende straatjes, een dichtbevolkt, door ziekte
geteisterd doolhof. Broeinesten van cholera en sociale onrust.
In 1845 schreef de Franse sociale hervormer Victor
Considerant: "Parijs is een immense werkplaats van verrotting, waar
ellende, pest en ziekte samenwerken, waar zonlicht en lucht zelden doordringen.
Parijs is een vreselijke plek waar planten verdorren en vergaan, en waar van
zeven kleine kinderen er vier in de loop van het jaar sterven".
De verkeerscirculatie was een ander groot probleem. De
breedste straten in de oude wijken waren slechts 5 meter breed; de smalste
waren één of twee meter breed. Wagens, koetsen en karren konden zich nauwelijks
door de straten bewegen. Het centrum van de stad was ook een broeinest van
onvrede en revolutie; tussen 1830 en 1848 braken er zeven gewapende opstanden
en revoltes uit in het centrum van Parijs, met name langs de Faubourg
Saint-Antoine , rond het Hôtel de Ville en rond de Montagne Sainte-Geneviève op
de linkeroever. Door de aanleg van brede straten en statige boulevards – zoals
Boulevard Sébastopol en Rue La Fayette – verbeterde Haussmann de sanitaire
voorzieningen, bracht hij daglicht in het centrum van de stad en maakte hij het
voor het leger gemakkelijker om zich te verplaatsen. Het was een complete
transformatie van Parijs tot een moderne metropool met een netwerk van brede,
open straten en met bomen omzoomde lanen.
De Haussmann-gevels als een strikt gecomponeerde
partituur
Om zijn boulevards te verfraaien, ontwierp en ontwikkelde
Haussmann een nieuw soort woonruimte. In tegenstelling tot de smalle,
onsamenhangende appartementen van het middeleeuwse Parijs, zouden zijn moderne
appartementencomplexen uniforme gevels hebben, uitmondend in samenhangende
blokken die Napoleon III's idee van een ‘verenigd’ Parijs verder benadrukten.
Zo verordonneerde Haussmann dat de gevels aan strikte richtlijnen moesten
voldoen. Alle appartementen werden gebouwd van crèmekleurige steen, waarbij de
lokaal gewonnen Lutetische kalksteen het meest voorkomt. Hoewel de hoogte
varieert van 12 tot 20 meter, is elk gebouw in verhouding tot de boulevard en
telt het niet meer dan zes verdiepingen. Ze hebben ook steil aflopende,
vierzijdige zinken mansardedaken met een hoek van 45°. Ten slotte zijn de
gevels van de appartementen stilistisch gelijk, volgens een algemeen
plattegrond per verdieping. Elke Parijse architect uit die tijd moest zich aan
dit nauwkeurig opgestelde ontwerp vol specifieke esthetische en structurele
normen houden. Wel kregen architecten de vrijheid om gevels te personaliseren.
Hoewel de exacte ontwerpen variëren, volgen de meeste
Haussmann-gebouwen een standaardindeling:
De begane grond heeft de hoogste plafonds en dikke muren,
waardoor er ruimte is voor winkels, kantoren en andere bedrijven.
De eerste verdieping , ook wel de ‘mezzanine’ genoemd, heeft
lage plafonds en wordt doorgaans door bedrijven gebruikt als opslagruimte.
De tweede verdieping , ofwel de ‘nobele verdieping’, is van
oudsher het meest gewilde appartement in een gebouw, omdat de trap ernaartoe
het kortst is. Waarom Nobel? Omdat er in die tijd nog geen openbare lift
bestond. De tweede verdieping heeft een lang, doorlopend balkon en prachtig
vormgegeven raamkozijnen.
De derde (en
soms de vierde en vijfde) verdieping
heeft kleinere balkons en minder uitbundige ramen.
Om het gebouw in evenwicht te brengen, beschikt de bovenste
verdieping ook over een groot, doorlopend balkon. Omdat deze verdieping echter
niet als ‘nobel’ wordt beschouwd, is het balkon niet rijkelijk versierd en zijn
de ramen identiek aan die op de derde en vierde verdieping.
Het gebouw wordt vervolgens bekroond met een mansardedak,
waarin kleine zolderkamers (traditioneel gebruikt als personeelsvertrekken) en
dakkapellen zijn ondergebracht.’
Andere details:
Smeedijzeren balkons, met subtiele versieringen.
Ramen; hoog en symmetrisch, vaak omlijst door ornamenten
zoals kroonlijsten of smeedijzeren balustrades.
Ronde ramen zogenaamde ‘oeil-de-bœuf‘ Ingebouwd in leien of
zinken daken,.
Binnenplaatsen zorgen ervoor dat de kamers aan de
achterzijde geventileerd en verlicht worden.
Hoewel de buitenkant volledig in het teken staat van steen
en symmetrie, is het interieur van een Haussmann-appartement legendarisch
vanwege zijn ‘trio’ aan kenmerken:
Visgraatparket: Eikenhouten vloeren gelegd in een elegant
chevronpatroon.
Sierlijsten: Uitgebreid stucwerk op de hoge plafonds en
muren.
De marmeren open haard: Meestal bekroond met een grote ‘Trumeau’-spiegel
om het licht naar het midden van de kamer te weerkaatsen.
Let op de verschillen
Het balkon was nooit zomaar een plek om tegenaan te leunen.
Het verbond de gevel, verzachtte de verschillen tussen de appartementen en
maakte aan elke voorbijganger de status van het hele gebouw duidelijk, veel
meer dan alleen die van de rijke bewoner. De balustrades, gemaakt van
smeedijzer of gietijzer zijn het meest sprekende onderdeel van elke gevel. Smeedijzer
(fer forgé); gehamerd terwijl het heet is, geeft soepele rondingen, fijne
lijnen en af en toe een asymmetrie. Gietijzer (fonte), gegoten in mallen, maakt
zwaardere motieven mogelijk die identiek worden herhaald en massaal konden
worden geproduceerd. Architecten en ontwerpers in dienst van de stad Parijs
(zoals Gabriel Davioud, die veel stadsmeubilair ontwierp) tekenden basis-sjablonen.
Gieterijen brachten dikke patronenboeken uit waaruit aannemers en particuliere
bouwers konden kiezen.
Balkons werden in die tijd massaal geproduceerd door grote ijzergieterijen (fonderies) buiten en rondom Parijs. De belangrijkste spelers in die tijd waren, Fonderies de Pont-à-Mousson. Een van de grootste en bekendste industriële gieterijen van Frankrijk, die een gigantisch aandeel had in het straatmeubilair en de ijzerwerken van de Franse hoofdstad. Verder Fonderies de Bayard en Val d'Osne. Deze ijzergieterijen in de regio Haute-Marne stonden wereldwijd bekend om hun hoogwaardige kunstgietwerk (fonte d'art). Zij leverden de meest gedetailleerde ornamenten, standbeelden, fonteinen en dus ook de luxere balkonpatronen voor de Parijse boulevards.
Het meest voorkomende motief is de ‘rinceau’, een
kronkelende, bladerrijke stengel die zich in spiralen ontvouwt. Palmetten,
rozetten en geometrische vlechtwerken completeren het vocabulaire. Onder het
Tweede Keizerrijk blijft de ornamentiek dicht en symmetrisch, tegen het einde
van de eeuw worden de lijnen losser en kondigen ze de vloeiende rondingen van
de Art Nouveau aan.
Kijk ook eens naar de manier waarop de balustrade aansluit op de stenen. Op de statige verdiepingen steekt het ijzerwerk vaak boven een gebeeldhouwde console uit, terwijl het op de meer bescheiden verdiepingen vlak tegen een eenvoudige vensterbank is vastgeschroefd. Deze kleine verbindingen, die je vanaf de overkant van de straat gemakkelijk over het hoofd ziet, belonen de bezoeker die even stilstaat en de gevel van dichtbij bekijkt. Dus kijk omhoog en een verborgen ‘grammatica’ verschijnt. Rond 1880 en 1890, onder de Derde Republiek, stond de zogenaamde post-Haussmannstijl meer toe; ondiepe erkers, kariatiden, gebeeldhouwde guirlandes en drukker ijzerwerk. De bouwwet van 1902 versoepelde de toegestane profielen en stond deze meer uitbundige reliëfs toe.
Over het algemeen geldt: hoe drukker en onrustiger een gevel
eruitziet, hoe later deze doorgaans is gebouwd
Kariatiden en atkantiden
Om te zorgen dat de straten niet eentonig werden, kregen architecten de vrijheid om de gevels te personaliseren met rijke ornamenten. Kariatiden en hun mannelijke tegenhangers (atlantiden) waren de ultieme manier om een gebouw een uniek en luxueus karakter te geven binnen de strakke regels.
Mascarons, dit stille volk dat ons bespioneert
De gebeeldhouwde koppen of gezichten die je boven de
toegangspoorten en ramen van veel Haussmann-gebouwen in Parijs ziet, worden
mascarons genoemd. Dit architectonische fenomeen heeft een rijke geschiedenis
en diende oorspronkelijk een heel specifiek doel. Oorspronkelijk, ver voor de
tijd van baron Haussmann, hadden deze gezichten een onheil afwerende functie:
ze waren bedoeld om het kwaad af te wenden. Men geloofde dat een
angstaanjagend, lelijk of grimmig gezicht boven de ingang boze geesten, demonen
en ongeluk buiten de deur zou houden. Het werkte als een soort spirituele
waakhond voor de bewoners
Hoewel het bijgeloof in de 19e eeuw (toen Parijs onder
Haussmann grootschalig werd verbouwd) grotendeels was verdwenen, bleef de
traditie bestaan als decoratie. De architectuur greep sterk terug naar
klassieke stijlen zoals de renaissance en de barok, ook wel neo-barok genoemd.
Een mascaron boven de monumentale toegangspoort gaf een gebouw een luxueuze,
elegante en standingvolle uitstraling. Het was een manier voor de burgerij om
rijkdom te tonen. De hoofden zijn bijna altijd geplaatst op de sluitsteen (de
centrale, wigvormige steen bovenaan een boog) van de poort of het raam. Omdat
deze steen constructief gezien de belangrijkste steen is die de hele boog op
zijn plek houdt, was het historisch gezien dé plek om extra te versieren.
Wat stellen de koppen voor?
Als je goed naar de gezichten kijkt, zie je dat ze heel
divers zijn: Griekse en Romeinse goden; zoals Bacchus (god van de wijn),
Neptunus (god van de zee) of Medusa (met haar slangenhaar, hét ultieme symbool
om het kwaad te verstenen). Verder mythologische wezens, zoals satyrs
(bosgoden) of faunen (mythische bos- en veldwezens) met lachende of groteske
gezichten. Allegorieën; gezichten die de vier seizoenen, de kunsten of bepaalde
deugden symboliseren. Sommige eigenaren lieten echter een gezicht versieren met
lauwerkransen om hun belangrijkheid te benadrukken. Anderen wilden een
geïdealiseerd portret van de persoon die ze wilden eren.
Nog een laatste aanwijzing: het monogram, de naam van de architect, of de datum in een cartouche boven of naast de koetsingang gegraveerd.
Iconische locaties vol met Haussmann architectuur:
Avenue de l'Opéra en Boulevard Haussmann (9e
arrondissement). Hier staat de kenmerkende eenheid centraal, met als absoluut
hoogtepunt het wereldberoemde Palais Garnier, en de historische warenhuizen
zoals Galeries Lafayette Haussmann en Printemps met hun adembenemende
binnenkoepels.
Boulevard Saint-Germain (6e en 7e arrondissement). Een
prachtig langgerekt voorbeeld op de Linkeroever waar de gevels een
ongeëvenaarde strakke en ritmische symmetrie vertonen.
Plaine Monceau (8e en 17e arrondissement). Een chique
woonwijk met een enorme dichtheid aan weelderige, gedecoreerde panden en
herenhuizen uit de latere Haussmann-periode.
Avenue Kléber en de wijk rond Trocadéro (16e arrondissement).
Brede straten die een prachtig zicht bieden op open plekken en rijkelijk
versierde balkons.
Zijn werk was ook controversieel – er werden vele grote
misstanden begaan. Tijdens de grootschalige renovaties werden honderdduizenden
inwoners uit het centrum verdreven en moesten verhuizen naar de goedkopere noordelijke
en oostelijke buitenwijken (faubourgs) aan de rand van de stad. Gebieden zoals
Belleville, Ménilmontant en La Villette werden door de stad geannexeerd en
vervolgens opgevuld met de verdreven bevolking. De nieuwe appartementen langs
de brede boulevards waren uitsluitend bestemd voor de rijke bourgeoisie en de
gegoede middenklasse. Een deel van de bevolking kon de stijgende huren van de
nieuwe woningen helemaal niet betalen en week uit naar industriële voorsteden
net buiten de stadsgrenzen.
De beroemde dichter Charles Baudelaire schreef hierover: "het
uiterlijk van een stad verandert sneller dan het hart van een sterveling",
wat symbool stond voor de melancholie en het gevoel van ontheemding onder de
Parijzenaars.
Haussmann werd uiteindelijk in 1870 door Napoleon III
ontslagen. De renovatie zorgde ervoor dat Parijs schitterde tijdens de Belle
Époque (1871-1914 ). De werkzaamheden aan zijn projecten gingen door tot 1927.
Het stratenplan en het kenmerkende uiterlijk van het huidige centrum van Parijs
zijn grotendeels het resultaat van Haussmanns renovatie.



















